Menu

De leerkracht-octopus

Octopus (De Standaard, 2017)

Leerkracht-octopus Ruth Lasters reageert op het voorstel van minister Crevits om het urenpakket van leerkrachten uit te breiden.

De mens onderscheidt wel 114 octopussoorten. Waar het dieren betreft kent onze taxonomie een grenzeloze ijver. Maar als het gaat om het onderscheiden van onze eigen beroepen, beperken we ons veelal tot enkelvoudige begrippen, zonder het noemen van ondercategorieën. Onze dagelijkse taal is nu eenmaal de meest luie taxonoom van allemaal, die de veelheid van de werkelijkheid tracht te vatten in zo weinig mogelijk woorden. Wij duiden elkaars professionele bezigheden aan met termen als ‘bakkers’, ‘artsen’, ‘politici’, ‘boeren’, ‘advocaten’, ‘lassers’ en koppelen daar eerder eenvoudige voorstellingen aan. Dat is meestal geen probleem, want doorgaans zit er een soort van veiligheidspin aan die voorstellingen. Meestal weten wij wel dat we slechts een vage perceptie hebben van al die jobs die wij niet zelf uitoefenen en geven wij toe dat de complexiteit van die banen ons dus allicht ontgaat.

Wanneer het echter om het begrip ‘leerkracht’ gaat, ontbreekt die laatste kritische zelfreflex bij velen. Het probleem bij de publieke voorstelling van het beroep van leraar is dat bijna iedereen zich op dat gebied een ervaringsdeskundige waant. Elk van ons heeft immers gedurende vele jaren rechtstreeks met het onderwijs te maken gehad en is er daardoor van overtuigd zich een accurate voorstelling te kunnen maken van wat een leerkracht is en doet. ‘Een leraar staat voor de klas. Punt.’ Vaak wordt er maar één arm van de octopus geteld. De zeven andere armen (voorbereidingen, verbeterwerk, titularisschap, vervangingen, vakoverschrijdend projectwerk, remediëringstrajecten, meewerken aan leerlingen- en ouderparticipatie) blijven jammer genoeg veelal onzichtbaar onder het oppervlak.

De manier waarop minister Crevits communiceert over haar intentie om het urenpakket van leerkrachten uit te breiden, is voor veel personeelsleden een hoogst pijnlijke kwestie. De maatschappelijke vooroordelen die rond ons beroep heersen, worden er immers alleen maar door aangewakkerd. Door te hameren op één extra uur voor de leerkrachten in de tweede graad en twee extra uren voor lesgevers in de derde graad, bevestigt Crevits net de publieke foutieve voorstelling van de leraar als de beperkte urenklopper. Door in termen als 20 tot 22 uren te spreken, bekrachtigt zij juist de totaal verkeerde perceptie van de leraar als de gelukzak die haast maar een halve werkweek moet draaien voor een volledige wedde.
Studies wijzen het tegendeel uit: veel leerkrachten werken ook nu al meer dan 38 uur per week en behoren dus zeer zeker tot de harde werkers. De burn-out-cijfers swingen niet voor niets de pan uit in het onderwijs. Veel leerkrachten bezwijken onder het gewicht van hun eigen tentakels, zinken naar de bodem door steeds meer planlast en almaar grotere klassen met jaar na jaar mondigere, maar ook taalzwakkere jongeren. De totale maatschappelijke onderschatting van hun job is wel het laatste wat gemotiveerde, maar vaak uitgeputte collega’s nodig hebben om er weer bovenop te geraken en moed te vatten.
Daar komt bij dat een en dezelfde maatregel treffen voor dé leerkrachten, een ronduit oneerlijke beslissing zou zijn. Als er al met uren moet geschoven worden omwille van besparingen, dan zou dit niet voor hele leerkrachtengroepen tegelijk moeten gebeuren, maar na een eerlijke beschouwing van de respectievelijke werkdruk. Collega X heeft klassen van slechts 12 leerlingen zonder enig verbeterwerk, collega Y verdrinkt juist in correcties van groepen dubbel zo groot in aantal en tweemaal zo luid qua decibels. De ene leerkracht moet slechts opdagen op zijn job, de andere heeft uren voorbereidingswerk en weet amper hoe hij of zij het allemaal geregeld moet krijgen door tal van extra vergaderingen, het organiseren van excursies en stagebezoeken.
Het wordt tijd dat de minister zich bekwaamt in de taxonomie van de octopus. Het is urgent dat zij de publieke opinie tot acht leert tellen waar het onze armen betreft en dat zij inziet dat de forsheid van onze acht tentakels ook nog eens onderling danig verschilt. Willens nillens het publieke vooroordeel voeden van de leerkracht als de weinig-uren-draaiende-chançard, is niet alleen ronduit kwetsend voor vele duizenden leraars, het berust ook op pure onwetendheid. Het is net hetzelfde als een viswinkel binnenstappen en calamares van octopus vragen. Calamares, minister Crevits, zijn afkomstig van de pijlinktvis.