Menu

Recensies Fotómetros en VIN

https://blog.acco.be/opvoeding-en-onderwijs/een-onderwijsroman-die-blijft-plakken-vin-ruth-lasters/

Roger Standaert         

Waarover gaat het?

In de literatuur vind je weinig romans die zich in een schools milieu afspelen, afgezien van de vaak populaire thrillers die zich aan bepaalde universiteiten afspelen. Een gelukkige uitzondering is de roman van Ruth Lasters met de uiterst korte titel ‘VIN’. Die staat voor een fictieve school: het Vrij Instituut voor Nijverheid. Het gaat duidelijk om een school met een overtal aan kansarme en allochtone leerlingen en bovendien met zogenaamd harde studierichtingen, die grotendeels bevolkt worden door jongens. De school is het decor voor een verhaallijn die zich afspeelt rond een beginnende lerares Lore Wuytinc, Sergei, de conciërge en Anna, de Armeense poetshulp. Zoals uit de opdracht van het boek blijkt, gaat het om drie sleutelpersonen, die in hun thuis en -schoolmilieu in een persoonlijke crisis verzeilen en daaruit moeten geraken. Het boek heeft een open einde, dat evenwel tussen de regels hoop voor een nieuw begin suggereert.

De scene

Om een realistische onderwijsroman te schrijven, volstaat het wellicht niet om wat research te doen over onderwijsstructuren. Om geloofwaardig over te komen, is ervaring met en in het onderwijs nodig. Dat blijkt uit de biografie van de auteur, die al bijna twintig jaar in de onderwijspraktijk staat en daar ook de functie van coördinator gelijke kansen heeft uitgeoefend. Hoewel het boek niet autobiografisch is, kan je zo merken dat de geschetste situaties in de school realistisch zijn.

Het gaat om een grote school met meer dan duizend leerlingen, die vooral gespecialiseerd is in studierichtingen uit de zogenaamde ‘harde’ sector, zoals elektriciteit, mechanica, sanitaire technieken, bouw en dergelijke. Opgroeiende jongens zijn daardoor met hun stoere gedrag in de meerderheid, al is er als compensatie ook een studierichting voeding-verzorging. Vanwege de achtergrond van de auteur laat het zich raden dat de school bevolkt wordt door een groot aantal leerlingen uit kansarme milieus.

De school wordt levendig beschreven met zijn organisatie, verschillende types van leraar, de werkleider voor de praktijklessen, de directie. Hoe collega André Meyers uiteindelijk in een burn-out belandt, wordt in het boek treffend uitgewerkt. Ook de neerslag van een inspectie, met als advies ‘gunstig met beperktheden’, is levensecht geschetst. In dat kader worden ook de sleutelfiguren uitgewerkt: Lore Wuytack, de beginnende lerares met de originele gecombineerde bevoegdheid voor Engels als master Germaanse talen en die van bachelor biologie. Je ziet hoe de perfectionistische Lore geconfronteerd wordt met de spontane, vaak onbehouwen gedragingen van de jongens in de klas. De vervelende klassituaties zijn vaak hilarisch, maar worden met een milde ironie beschreven. Sergei, de conciërge met Poolse roots, beleeft dan weer zijn eigen problemen thuis en op school. En datzelfde geldt voor de Armeense poetshulp, die ook een hele geschiedenis met zich mee draagt. De drie sleutelpersonen vertellen afwisselend in de ik-vorm hun verhaal over relationele spanningen aan het thuisfront, gerelateerd aan de context van hun werk op school.

In de roman speelt het ‘gunstig advies met beperkingen’ van de inspectie een belangrijke rol. Daartoe moet voor een aangekondigde opvolging materiaal worden verzameld, onder meer in de evaluatie-archieven, opgeslagen in een niet erg comfortabele kelder. Voor de vakgroep Engels moet Lore, in vervanging van een vakgroepvoorzitter met burn-out, een evaluatiedossier voor Engels van jaren terug gaan opdiepen. Ook dat blijkt confronterend te zijn.

Doorheen de verhaallijn van de tegenslagen van de hoofdpersonen wordt de fictieve school op een schitterende wijze erg concreet en herkenbaar beschreven.

Waarom dit boek lezen?

De wijze waarop de auteur het schoolleven beschrijft, is indrukwekkend. De aanloop met de hilarische beschrijving van lokaal D210 (p. 7-10) is een vondst om het boek niet meer weg te leggen. De situaties zijn soms hallucinant, maar toch levensecht. De problematiek van kansarmoede is de paraplu waarin zich de verhaallijn afspeelt. Ook al is het verhaal niet autobiografisch, je kan er niet omheen kijken dat de auteur die problematiek van zeer nabij heeft gekend.

Het boek leest als een trein. Het krioelt van mooie zinnen en een originele woordenschat. De ik-standpunten van respectievelijk de lerares, de conciërge en de poetshulp vullen elkaar aan om de gelijkekansensituatie levendig te maken.

Dat de auteur met een debuutroman en een gedichtenbundel al in de literaire prijzen is gevallen, wordt in deze roman aannemelijk gemaakt. De manier waarop Sergei bijvoorbeeld zijn dyslexie beschrijft, zonder ook maar een keer het woord dyslexie te gebruiken, is meesterlijk (p. 13-15). De dissectie van een rat voor weinig geïnteresseerde leerlingen is een ander meesterstukje (p. 25 en 131). Het opvolgingsbezoek van de inspectie houdt je letterlijk bij de les (p. 212).

De situaties worden levendig beschreven met een licht humoristische ondertoon, die nu en dan wel eens wrang over komt.

Het is misschien een interpretatie, maar het zou wel eens kunnen dat de passage waarbij de lerares over ‘haar jongens’ spreekt, toch een sympathiserend autobiografisch gehalte heeft.

Ruth Lasters, VIN. Kalmthout, Polis, 283 blz. ISBN 9789463104654

Roger Standaert

Recensie Fotómetros Mariana Robles

Fotómetros / Lichtmeters de Ruth Lasters, traducido al castellano por Micaela Van

Muylem y editado por Viento de Fondo.

Un poemario que, tal como escribe Van Muylem en el prólogo, está compuesto por cuatro

ciclo de poemas que llevan siempre una sola palabra como título. De este modo, puede

leerse como un glosario muy personal en el que se intenta echar luz sobre el mundo.

El libro de Lasters es extremadamente singular, la forma en que se resuelven los poemas se

parece mucho a las acciones que produce un escultor al tallar una forma en un macizo trozo

de madera. La relación con el lenguaje no es la de alguien que se sienta poseedora de la

lengua sino más bien de alguien que ha descubierto al lenguaje acechando entre las cosas,

como adherido a la atmosfera y las siluetas. Lasters modela con un cincel punzante aquellos

signos que se posan en la hoja, en esa morada de blanca y exacta superficie tan diferente a

la barroca y porosa geografía del mundo. Ella, al escribir no sólo dispone esas imágenes

contundentes y astilladas de sus poemas, también nos propone un método. Un método que

consiste en convertir a las palabras en verdaderos artefactos de medición lumínica,

fotómetros y también, que nos permiten los restos de lenguaje arraigados a la materia de las

cosas.

El poeta es un explorador, busca el punto justo de esa materia gelatinosa donde las palabras

se adhieren y nacen. Lo que vemos depende de lo que sabemos y lo que sabemos debe ser

nombrado en relación a lo visto, en el corazón de lo que hay, de lo existente comprobable y

habitable donde necesariamente las cosas y las palabras están mezcladas o juntas. Ese punto

de encuentro, en los poemas de Lasters, adquiere el aspecto de un fotograma o una escena

de película que un ojo en constante movimiento captó y desplegó.

En Fotómetros las cosas están distantes y lejanas y con ellas también el lenguaje, los

artefactos funcionan en la medida de que la consciencia de ese abandono ablanda el habla,

lo estira en el interior de las concavidades corporales para luego expulsarlo a profusos

espacios de luces y de sombras.

El poeta Francis Ponge me parece un escritor pertinente para comparar con Lasters. Ponge

escribe: No hay que tentar (al menos en lo que nos concierne) al demonio del detalle (que

esconde el conjunto), y Lasters: Puedo llevarme tu ojo plasmado en un enorme rollo de

papel/ -minucioso como el deseo mismo. Y mostrar diminuto a los demás/ Las desviaciones

1

que aparecen en el paso de la esfera al/ Plano, la mirada fija en la representación

defectuosa de tu iris. Esas figuras del todo y el detalle, donde lo general y lo particular son

tratados como ciencia en el poema, se advierten con regularidad en Fotómetro. La distancia

es un recorrido en lo denso de lo siempre habitado, es decir, la maniobra del ojo en el seno

del caos, ese riesgo inminente que constituye lo propio de ver y de escribir. Así, la mirada

se presenta como testigo de lo finito, probable y posible pero siempre acechada por la

latencia de lo infinito, improbable e imposible, porque al perseguir insistentemente la luz

no veremos jamás donde se esconden las sombras.

Otra conexión posible, otro recorrido nos conduce desde la poesía de Lasters a la

maravillosa pintura holandesa, o de los Países Bajos en su totalidad. Me interesa imaginar

sus palabras con esas imágenes por la manera atenta de concebir la naturaleza y sus

destellos. Un poema que me resulta representativo e interesante, en ese sentido, es aquel

denominado Trabajo y que transcribo completo:

Un cúmulo de mandarinas

mondado en exactamente un mes, de fruto perfecto a

mera hoz, desde que la luna tras

el smog. Nosotros, fabricantes de luna contratados, desprendemos la cáscara

de oro anaranjado; luego, de cada mandarina (alrededor de un millón)

sólo la primera parte y días después recién la siguiente,

al ritmo del menguante del cuerpo celeste

que cada tanto emerge repentino

entre la niebla. Sin motivo alguno seguimos pelando entonces

como un cuadro de extenuación nacional en sí, jurándonos que

la luna nueva es invisible por la estampida de incontables

jabalíes renegridos allí arriba,

2

en nuestro sitio.

Al leer un libro maravilloso, El arte de describir. El arte holandés en el siglo XVII, de

Svetlana Alpers, descubro infinidad de conexiones, demasiadas para anotarlas en una

reseña; sin embargo, quiero mostrar la que veo entre el poema y las reflexiones de Alpers:

Los objetos se dan a conocer al ojo escrutador no solo por el procedimiento de enseñar sus

entrañas, sino también por sus reflejos; el juego de la luz sobre las superficies distingue el

vidrio del metal, de la tela, de la pasta, y sirve también para multiplicar las superficies. La

parte inferior del pie de una copa duplica por su reflejo en el contiguo plato de peltre.

Cada objeto expone superficies múltiples para volverse más presente a la vista. Esa

transición de la materia, presente en el inicio de Trabajo, configura un eco pero también

una descripción de las pinturas adscriptas al género “naturaleza muerta”. La tradición

flamenca nos presenta una característica propia del género, donde frutos o verduras

aparecen abiertos, cortados o pelados, es decir, revelando su interior, su carnalidad. A

diferencia de la tradición renacentista italiana la pintura de esa región de Europa no busca

representar un ideal matemático sino, por el contrario, su aparición vital, sus mecanismos

de existencia y su singularidad imperante frente a la mirada. La lectura de Fotómetros, en

esa inquietante sintonía, nos permite recorridos, vaivenes de ritmos propios anudados a

imágenes que inundan lo cotidiano, que lo envuelven y lo desnudan hasta saborearlo como

a limones maduros y estruendosamente ácidos.

Mariana Robles

VIN: Ruth Lasters schetst het beroepsonderwijs

Facebooktwittergoogle_plusmail

Ruth Lasters is een leerkracht die proza, poëzie en opiniestukken schrijft over de complexiteit en schoonheid van haar job in het middelbaar onderwijs. Zo staat het op de achterflap van haar derde roman “VIN”. De titel van het boek heeft een dubbele betekenis. In de eerste plaats is VIN de afkorting van het het Vrij Instituut voor de Nijverheid, de school die het decor is van het verhaal. In de tweede plaats verwijst de titel ook naar een graffititekening van een haaienvin die door conciërge Sergei wordt weggezandstraald. Wil je weten wat er dan gebeurt, en waarom, lees dan vooral het boek en lees het ademloos tot de laatste bladzijde, zoals ik dat heb gedaan.

Sergei is een van de drie vertellers van het boek. De anderen zijn Anna, een Armeense poetsvrouw die nieuw is op school, en Lore, een beginnende leerkracht die het niet gemakkelijk heeft op het Instituut. Anna kunnen we met recht en reden het centrale personage van het boek noemen. Het is in de eerste plaats haar verhaal. Maar het zijn de andere twee die het verhaal vertellen en het vorm geven, in de ik-vorm. Enkel het standpunt van Anna lezen we in de derde persoon omdat ze het zelf niet kan vertellen. Langzaam aan komen we te weten waarom: ze ligt in het ziekenhuis na een ongeval. De drie verhaallijnen werken toe naar de climax (de “rattenstreek” van Lore en het daaruit voortvloeiende ongeval) die vooral stuntelig is, en dat bedoel ik niet in schrijftechnisch maar eerder in beeldend opzicht.

Sergei is veruit het authentiekste personage van het boek. Sergei die al lezend dikwijls de lettertjes ziet dansen. Die in het begin van zijn schoolcarrière krediet kreeg omdat hij voorwendde Poolstalig te zijn en die nadien door de mand viel (ondanks zijn Poolse vader spreekt hij geen Pools). Sergei bij wie je de tekst onbeschroomd luidop in het Antwerps kunt lezen, zo echt is zijn taal.

Sergei heeft het niet begrepen op Lore, die hij smalend “juffrouw Frangipane” noemt, omdat hij haar dat gebakje eens had zien eten met kleine hapjes, “gelijk een vogeltje”, en waarvan hij zich afvraagt wat ze eigenlijk op de school komt doen. Anna ziet hij dan weer wel zitten, zeker nadat zijn vrouw Christelle halsoverkop vertrokken is en hem alleen achterliet. Anna die op school is komen werken omdat ze op zoek is naar belangrijke documenten uit het archief. In die zoektocht heeft Lore dan weer haar rol te spelen.

Nog meer dan het liefdesverhaal tussen Sergei en Anna, beiden, net zoals de leerlingen van het Instituut, “niet voor de chance geboren”, is VIN een boek over het beroepsonderwijs in een stedelijke context. De segregatie, de achterstelling, het systematische zittenblijven, alle komen ze aan bod. Ruth Lasters schrijft hierover vanuit haar eigen ervaring. En die ligt in de Spectrumschool, een secundaire beroepsschool in het Antwerpse Borgerhout. Als gewezen leerkracht van dezelfde school, zij het campus Deurne, zag ik in het boek geamuseerd een reeks ex-collega’s passeren: in licht gewijzigde namen, in uitspraken, in de dialecttaal van Sergei. In de figuur van directeur Taeymans, den “Taaie”, een botte bullebak die niettemin “zijn wereld kent”. En die alles eerst gewoon zegt, en dan een tweede keer met een “chic woord”. Heel herkenbaar ook: de “harmonicaklas” op de tweede verdieping, die enkel was afgescheiden van het naburige lokaal door een slecht afsluitende vouwdeur en waarin het wegens het ontbreken van ook maar het elementairste didactisch materiaal moeilijk geschiedenis geven was.

Herkenbaar

Het mag duidelijk zijn dat Ruth Lasters een geëngageerde leerkracht is met een groot hart voor haar leerlingen, die aldoor hollen “achter onherroepelijk verloren leertijd.” Zelf onderscheidt ze in het boek vier categorieën van collega’s: de devoten, de agnosten, de ketters en de bowlers. Ik leg het uit. De devoten beschouwen kansarmoede als niet meer dan een weg te blazen stofvlok. De agnosten zijn zij die “weigeren om gissingen te doen over onzichtbare zaken als de maatschappelijke slaagkansen van hun leerlingen, voor meer dan zeventig procent geboren uit laaggeschoolde anderstaligen.” De ketters dan, die de kleinste categorie vormen en die vanuit hun ongeloof in een rooskleurige toekomst voor hun leerlingen niet op een beroepsschool lijken te werken, “maar op een vlieghaven waar het erop aankomst de gestrande passagiers … kalm te houden.” Maar de ergste categorie is die van de leerkrachten, zoals Lore, “die alleen binnen de muren van het VIN hoop koesteren voor hun leerlingen.” “Meestal liet ik mijn optimisme na de werkdag achter aan de poort als een paar olijke, maar slechts gehuurde bowlingschoenen.” De bowlers dus. Een mooie en inventieve dwarsdoorsnede van een stedelijk lerarenkorps vind ik dat.

Wanneer Lore in de buurt van haar school gaat wonen, ervaart ze dat als pure “exposure therapy”. Zij, die niet was voorbereid op het feit dat leerlingen echt bleven bestaan nadat ze bij haar in de klas hadden gezeten, komt in één dag drie van haar ex-leerlingen tegen. Alledrie zijn ze “goed” terechtgekomen (lees: ze hebben een vaste job), wat Lore even hoopvol stemt over de toekomst van VIN’ers in het algemeen. Hoop die snel aan diggelen wordt geslagen zodra er een bakfiets stopt en ze de autochtone vader tegen zijn kinderen hoort kwebbelen, zijn kroost zo meer woordenschat en syntax bijbrengend wachtend op groen licht dan pleinjeugd opvangt gedurende een heel weekend. Bakfietsen zijn straaljagers, denkt ze dan. “En wie krijgt een straaljager ooit ingehaald?”

Heb ik al gezegd dat ik dit boek, dat is opgedragen aan alle opnieuwbeginners, redelijk fantastisch vind? Welaan dan.

VIN verscheen bij Uitgeverij Polis

http://www.skolo.org/nl/2020/02/16/vin-ruth-lasters-schetst-het-beroepsonderwijs/.

Uit De Groene Amsterdammer, 11/12/2019, Femke Essink

11 december 2019 – verschenen in nr. 50

 

Al bijna twintig jaar staat de Vlaamse dichteres en schrijfster Ruth Lasters voor de klas in het beroepsonderwijs – het kan haast niet anders dan dat haar ervaringen verwerkt zijn in Vin, een doorleefd en bevlogen verhaal over de impact van onderwijs op sociale ongelijkheid.

Dat klinkt misschien als een beleidsstuk, maar Vin is dat juist niet. Als een eigentijdse variant op de negentiende-eeuwse sociaal-realistische romans die de erbarmelijke levensomstandigheden van arbeiders moesten belichten, dringt Vin door in de dynamiek van het Vrij Instituut voor Nijverheid (VIN), een school waar Belgisch-Marokkaanse jongens worden opgeleid tot elektriciens en timmerlieden terwijl hun docenten gebukt gaan onder werkdruk en twijfelen over het toekomstperspectief van hun leerlingen.

Kansarme jongeren zijn het, ‘voor meer dan zeventig procent geboren uit laaggeschoolde anderstaligen’, aldus Lore Wuytinck, die Engels en natuurwetenschappen geeft en als beginnend docente chronisch de wanhoop nabij is. Ze kan geen orde houden, ontwikkelt allerlei bedenkelijke overlevingsstrategieën en lijdt aan een bedriegerscomplex. Binnen de schoolmuren is ze optimistisch over de mogelijkheden van haar creatieve, grappige leerlingen. De rapregels die ze onder aan hun opdrachten vindt, laten zien ‘dat het geen halve idioten zijn die alleen de handleiding van een plaatlasmachine kunnen lezen’. Maar buiten maken de voorbijsnellende bakfietsen van de autochtone bevolking – ‘straaljagers in een wijk als deze’ – haar cynisch, want ‘wie krijgt een straaljager ooit ingehaald?’

Bovenkant formulier

Ontvang dagelijks onze nieuwsbrief

Onafhankelijk en onbevreesd. Sinds 1877.

E-mailadres

Onderkant formulier

In hoog tempo wisselt Lasters drie perspectieven met elkaar af. Naast Lore zijn er Sergei, de Belgisch-Poolse conciërge die op het terrein van het VIN woont, en de Armeense schoonmaakster Anna. Als poppenspeler laat de schrijver deze drie levens steeds strakker met elkaar verknoopt raken. Twee vragen stuwen het verhaal voort: welke ‘rattenstreek’ heeft Lore precies uitgehaald waarover ze zich zo schuldig voelt, en welke papieren moet ze precies voor Sergei uit het schoolarchief redden?

‘Vin’ maakt duidelijk: je moet vooral een beetje geluk hebben met je startpositie

Nauwkeurig en geduldig werkt Lasters toe naar de dramatische ontknoping – soms iets te geduldig. De opties blijven wel heel nadrukkelijk open, en hier en daar wordt de lezer merkbaar even op het verkeerde been gezet om de spanning op te bouwen. Door eigen toedoen krijgt Lore de verantwoordelijkheid voor een inspectiedossier, wat haar op de grens van overspannenheid brengt. De aanloop daarnaartoe wordt breed uitgesponnen, net als de vivisectie die ze pleegt op haar eigen rattenstreek. Maar achteraf wordt duidelijk waarom alle lijntjes nodig zijn voor het slot, dat ontroerender is dan voorzien en de roman ook tot een aangrijpende liefdesgeschiedenis maakt.

Balancerend op de rand van de armoede, en beide met het nodige leed achter de rug, proberen Sergei en Anna – overigens de meest volwaardige personages uit de arbeidersklasse die ik het afgelopen jaar in de Nederlandstalige literatuur ben tegengekomen – het leven veerkrachtig tegemoet te treden. In het kielzog van haar ex-man, een zwartwerkende loodgieter die altijd op de vlucht was voor belastingcontroles en boetes, verloor Anna bij elke verhuizing naar een ander land iets van zichzelf. Het is veelzeggend dat we haar verhaal enkel vanuit de derde persoon meekrijgen; ze ligt onder verdoving in het ziekenhuis en kan zelf niet meer spreken. Sergei klinkt in eerste instantie nogal onbehouwen, maar zijn zachtaardigheid schemert steeds door zijn ruwe taalgebruik. Je gunt het ze zo, de huiselijke liefde die ze bij elkaar eindelijk weer vinden, maar net als de leerlingen van het VIN zijn Sergei en Anna ook niet ‘voor de chance’ geboren.

Als deze roman één punt duidelijk maakt, dan is het dat goed je best doen op school, hard werken en je invechten niet de weg naar een fatsoenlijk betaalde baan plaveien: je moet vooral een beetje geluk hebben met je startpositie. Pijnlijk laat Lasters zien dat onderwijs tot opwaartse sociale mobiliteit kan leiden, maar net zo goed de geschiedenis met accentverschillen kan herhalen. Door zijn dyslexie heeft Sergei het nooit verder geschopt dan conciërge van de school waar hij zelf nog op heeft gezeten: ‘Het enige wat hielp was aan de stroomschema’s denken die aan de muur hingen beneden in het werkhuis. (…) Zo rap zag ik al die pijlen op die schema’s dan voor mij verspringen dat het mij feitelijk niet meer kon schelen dat ik dat gelul over koning zus en klojo zo niet deftig gelezen kreeg.’ Het taalprobleem van de jongens die Sergei op het VIN onder zijn hoede heeft zet ze ook op achterstand, en ze weten het: ‘Ze schenen in de verte al het irritant piepende karretje te horen waarmee ze levenslang alleen andermans baklijnen mochten kalken.’

Met de kracht van fictie maakt Lasters de keerzijden van onze meritocratie inzichtelijk. Haar verhaal illustreert hoe lage maatschappelijke waardering voor de talenten van de jongens van het VIN ongelijkheid op een ingewikkelde manier in stand houdt. Met visie, compassie, en ten slotte – gelukkig, zou ik willen zeggen – ook met hoop toont ze hoe economische, politieke, sociale omstandigheden concrete mensenlevens beïnvloeden. Vin is een roman die je bij het ministerie van OCW in de postvakjes zou willen leggen.

 

 

Recensie De Standaard ****

 

ROMAN     VOOR DE KLAS MET RUTH LASTERS

Schoolblues

Een jonge leerkracht, een conciërge en een poetshulp: hun paden kruisen elkaar op een nijverheidsschool voor kansarme jongeren. MARIA VLAAR

RUTH LASTERS
VIN. Polis, 288 blz.
80 van 100
Een nijverheidsschool met een grote populatie Belgisch-Marokkaanse leerlingen en jonge asielzoekers is de locatie voor VIN, de vierde roman van dichter en schrijver Ruth Lasters (40). Lasters laat drie mensen aan het woord met weinig aantrekkelijke kantjes, losers zou je ze kunnen noemen, net als de meeste jongens (en paar meisjes) die op het Vrij Instituut voor Nijverheid les krijgen in metaalbewerking en elektrotechniek. En toch ga je veel van deze drie mensen houden, door Lasters’ fijnzinnige portrettering en geestige, mooie pen.
Om en om zijn docent Lore en conciërge Sergei aan het woord; de hoofdstukjes over de Armeense schoonmaker Anna zijn in de derde persoon geschreven. Dat past goed, want Anna ligt hulpeloos in het ziekenhuis met een ernstig oogletsel en kan niet praten. Wat is er gebeurd? Lasters bouwt de spanning voorbeeldig op; pas aan het einde valt de puzzel op onverwachte wijze in elkaar, terwijl goedgeplaatste cliffhangers en misleidende zijpaadjes de lezer bij de les houden. Lore heeft ‘een rattenstreek’ uitgehaald, vindt ze zelf, en komt daardoor in conflict met Sergei. Wat heeft Lore misdaan? Is zij verantwoordelijk voor Anna’s ziekenhuisopname, of is het de nieuwe vrouw van Anna’s ex? Wat zoekt Lore voor belangrijks in het schoolarchief?
Acetonpauze
Onder de sterke opbouw van de roman zit een maatschappelijke drijfveer, die de roman een urgente en gedurfde lading geeft. Lore is deels naar Lasters zelf gemodelleerd: ‘Deze roman is fictief. Toch berusten alle klassituaties die Lore Wuytinck op het VIN meemaakt op echte ervaringen’, staat op pagina 285 te lezen.
De hond Ash is de enige figuur in VIN met ‘chance’, doordat Sergei hem van de ‘hondenschool’ haalde en hem zo het ‘laten inslapen’ bespaarde
De jongens op het VIN zijn de frêle beginnende leraar Lore de baas. De vakken die Lore geeft, biologie en Engels, raken hun koude kleren niet. Ze zijn meer bezig met voetbal en vrouwen, en brengen geregeld de les slapend door met hun hoofd op tafel. Lores ‘spreidstand tussen twee vakken’ maakt haar nóg onzekerder en banger dan ze van nature al is. Ze vergeet geregeld het Engelse woord voor ‘schroefsleutel’ en orde houden kan ze niet. Lore kampt met een permanent schaamtegevoel, ook tegenover haar mededocenten, van wie sommigen toch net als zij ‘acetonpauzes’ hebben (het in de pauze met een in aceton gedrenkt schuursponsje verwijderen van schunnigheden als de boodschap ‘Lore likt’, boven een met zwarte viltstift getekende balzak). Ze bedenkt strategieën om overeind te blijven zoals ‘de businessman Yakumo’, een verzonnen Japanner voor wie de jongens in de Engelse les vliegtuigtickets en hotels moeten boeken. ‘Miss Wuytinck,’ zegt een van haar leerlingen, ‘als hij overschot heeft, Mister Yakumo, mag hij er dan wat callgirls mee fiksen? Lebanese sluts, oh yeah.’
Diabeteshielen
Lore heeft een zwak voor haar leerlingen met hun minimale ‘maatschappelijke slaagkansen’ en ziet de ‘aanstekelijke hartelijkheid die VIN-jeugd eigenlijk zo typeert’. Vooral probleemleerling Alex, afkomstig van Molenbeek en een personage in een reality-tv-programma over jonge topsporters uit arme gezinnen, heeft haar hart. Zijn grote zwemtalent kan zijn familie een uitweg naar rijkdom bieden, een verwachting die hij niet dragen kan. Geen roze bril hier: de jongen weet zijn lerares maximaal te manipuleren. Lore heeft momenten waarop ze alle geloof in haar leerlingen en zichzelf verliest, en Lasters weet die onderhuidse dubbelheid goed in woorden te vangen, zoals in Lores klacht over suikerziekte: ‘Is het normaal dat onze sociale zekerheid de gevolgen van hun moeders theeritueel blijft betalen, de verzorging van hun diabeteshielen’? Lasters laat Lore switchen ‘van overdreven empathie naar kilheid en terug’.
Sergei is ook al zo’n onfortuinlijk mens en daardoor een fijn romanpersonage. Als hij probeert te lezen veranderen de letters ‘in streepjes die niks betekenen’, waardoor hij als scholier in het speciale klasje zat voor de ‘draaiers en zwevers’. Voor zijn kinderen, die opgroeien in de conciërgewoning op het schoolterrein tot Sergei’s vrouw hem verlaat, gaat hij zonder nadenken door het vuur. Hij is eenzaam en tegelijk een vervelende mopperaar. Zijn naar Ashton Kutcher vernoemde hond Ash sjokt achter hem aan en is metaforisch gezien de enige figuur in VIN met ‘chance’, doordat Sergei hem van de ‘hondenschool’ haalde en hem zo het ‘laten inslapen’ bespaarde.
Krijtkoppen
De klassen- en kansenkloof loopt tussen de leraren en directie aan de ene en de leerlingen en het overige personeel aan de andere kant. Sergei’s baan staat op het spel; niet verwonderlijk dat hij de ‘krijtkoppen’ niet hoog heeft zitten. Lores leven is niet minder eenzaam; ook haar man, een mislukte kunstenaar, verlaat haar.
Anna bungelt als landverhuizer helemaal onderaan de piramide. Zij komt iedere dag andermans rotzooi opruimen, behalve als ze een astma-aanval heeft. Haar levensloop bracht haar van Armenië naar Spanje naar Duitsland naar België, en keer op keer raakte ze haar geliefde spulletjes en mannen kwijt. Sergei noodt haar in zijn bad, waar ze elkaar vertellen over hun leven. Je gunt hen van harte liefde, maar Lasters gooit natuurlijk roet in het eten, zoals het echte leven betaamt.
De schaamtevolle Lore, de eenzame Sergei, de gekwetste Anna naderen elkaar in VIN langzaam. Lasters beschrijft met humor en ironie een hedendaags schoolmilieu en schildert een mooi portret van drie onfortuinlijke, maar ontroerende en o zo menselijke personages.

 

Het Nieuwsblad ****

 

VIN, wat staat voor Vrij Instituut voor Nijverheid, had een clichéroman over het wel en vooral wee van het beroepsonderwijs kunnen worden, maar niet in de handen van schrijfster en dichter Ruth Lasters. Zoals ze aangeeft, put ze voor haar fresco van de ‘vakschool’, waar hoofdzakelijk allochtone jongeren elkaar aansteken met lethargie, uit haar eigen ervaring als lerares. Maar daar is het Lasters niet om te doen. Tot diep in hun ziel portretteert ze drie figuren die elk met de school te maken hebben. Lore geeft er les en kan de leerlingen niet de baas. Sergei is conciërge en vreest voor zijn baan. Anna is een Armeense poetsvrouw die in het ziekenhuis ligt. Aanvankelijk is zij de meest raadselachtige figuur, aangezien het lang onduidelijk blijft wat haar is overkomen. Ook rond Lore en Sergei creëert Lasters subtiel maar efficiënt mysterie. Er is iets voorgevallen tussen de twee, en de vraag wat de ‘rattenstreek’ die ze heeft uitgehaald precies is, maakt VIN zowaar spannend. Toch is dit niet zomaar een thriller, wel een knap geschreven en intrigerend portret van mensen die noch door het leven, noch door de maatschappij zijn verwend. Dat geldt voor Lore, Sergei en Anna, maar net zozeer voor de VIN-leerlingen die onherroepelijk van de sociale ladder dreigen te tuimelen. Dat roept bij Lore zowel gevoelens van wanhoop, haat als liefdevolle vertedering op. Wie die complexe cocktail weet te mixen tot een meeslepende roman, verdient een chapeau. (Jo De Ruyck)

 

Recensie Cutting Edge ‘Vin’ ****

Hoe zou het nu met Lore zijn?

Ruth Lasters (1979), die ooit de Debuutprijs voor haar roman ‘Poolijs’ won, is na ‘Feestelijk Zweet’ alweer aan nieuw werk toe met ‘Vin’. Een boek over mensen op zoek naar erkenning en evenwicht, maar evenzeer een tragisch liefdesverhaal.

Een school als setting voor een roman. Het heeft wel iets als vertrekpunt voor alles wat zich in de leslokalen ontvouwt. Leraren die nauwelijks grip krijgen op hun leerlingen, elkaar benijden en door de conciërge van de school als krijtkoppen worden weggezet. Een gemeenschap die in feite nauwelijks verschilt van de samenleving waar conflicten, spanningen en het niet kunnen opschieten met een medemens aan de orde van de dag zijn.

Is het daarom dat de auteur koos voor het VIN (Vrij Instituut voor Nijverheid), een onderwijsinstelling waar de verhoudingen tussen leraren en leerlingen net iets scherper zijn dan in een klassieke school?

Staat niet op de achterflap te lezen dat Lasters al twintig jaar voor de klas staat en meer dan eens een opiniestuk over de complexiteit van haar job heeft gepubliceerd. Het leidt er alleszins toe dat alle personages natuurgetrouw zijn gemodelleerd. Hun authenticiteit wordt bovendien versterkt door het feit dat ze ook buiten hun vertrouwde werkomgeving in beeld blijven.

Er is vooreerst Sergei, de conciërge. De man is voor alle mogelijke karweitjes inzetbaar, maar een soort lijfeigene van het VIN. Zijn vrijheid is zo beperkt dat zelfs zijn hond eigendom is van de school. Ondanks de tegenslagen – een echtscheiding en collega’s die voortdurend de spot met hem drijven – blijft hij hoopvol. Het toeval (?) drijft hem in de armen van Anna, een Armeense poetshulp, die zwaar door het leven is getekend. Haar zoon kwam tijdens een uit de hand gelopen caféruzie om het leven. Tegenover die miserabele wereld staat het benepen milieu van het lerarenkorps met Lore als pars pro toto. Een lerares in de ban van de twijfel – een speelbal voor haar leerlingen – die tegen haar oudere collega’s moet opboksen.

De dag dat ze Axel Boissy, een ogenschijnlijk onhandelbare jongen, onder haar hoede moet nemen, wordt ze door haar collega’s ineens niet langer met de rug aangekeken. Tussen Axel en haar ontstaat een geheim verbond.

‘Na verloop van tijd begon ik de lokalen waar ik met Axel zat zelfs te zien als oplaadpunten. Ik kreeg er nieuwe moed, die me ook tijdens de lessen zonder hem van pas kwam.’ Helaas slaat ook bij Lore op een dag het noodlot onherroepelijk toe.

‘Vin’ is een stevig geconstrueerde roman, waarin een voortdurende afwisseling van korte hoofdstukken en flashbacks ervoor zorgen dat de verbeelding geen moment op de proef wordt gesteld. Als een van de beste schrijfsters van Vlaanderen diept Ruth Lasters in ‘Vin’ op geslaagde wijze de karakters uit van zeer uiteenlopende personages.

Karel Alleene

 

KUNSTTIJDSCHRIFT VLAANDEREN, Jooris van Hulle

VIN

Ruth Lasters

VIN
Uitgeverij Polis, 2019, 283 blz., EUR 22,50
Puttend uit eigen ervaringen in het onderwijs schreef Ruth Lasters een opmerkelijke roman over het VIN, het Vrij Instituut voor Nijverheid waar jongeren die eigenlijk lak hebben aan alles wat met school te maken heeft, een kans krijgen een beroep aan te leren. Eerder dan te blijven steken in algemeenheden over hoe slecht het nu wel gesteld is met ons onderwijssysteem buigt Lasters haar verhaal over Lore Wuytinck, die als beginnend lerares Nederlands en Natuurwetenschappen (een eigenaardige combinatie alleszins) haar weg zoekt op het VIN, om naar het persoonlijke. De manier bijv. waarop Lore het vertrouwen weet re winnen van Axel, een zwemkampioen in spe en voor alle andere leerkrachten het enfant terrible dat ze het liefst uit hun klas verwijderd zien, laat zien hoe eerlijk zij het meent met haar leraar-zijn. Anderzijds: de sfeer op school die letterlijk en figuurlijk wordt aangejaagd door het verwachte bezoek van het doorlichtingteam (onder de groep leerkrachten steevast aangeduid als ‘het’ of ‘ze’) wordt perfect herkenbaar uitgetekend. ‘VIN’ is veel meer dan een roman over het reilen en zeilen op (een) school. Centraal motief is de zoektocht naar geluk, niet alleen die van hoofdfiguur Lore, maar even goed, en misschien nog meer, die van de nevenpersonages. Er is het verhaal van de conciërge Sergei, wiens ik-relaas, gezet in een taal die recht voor de vuist overkomt (leraars zijn voor hem zonder uitzondering ‘krijtkoppen’), het portret toont van een man die ondanks alles steeds is blijven geloven dat het goed kan komen. Erg veel kansen heeft hij overigens niet gekregen: wegens zijn dislexie kwam hij op school al snel terecht bij de ‘draaiers en zwevers’, zijn huwelijk met Christelle loopt op de klippen en even lijkt her ernaar dat hij bij Anna, de Armeense poetsvrouw op het instituut, de rust en de liefde zal vinden waarnaar hij blijvend op zoek is. Het verhaal van Anna wordt, afwisselend met passages die gewijd zijn aan Lore en Sergei, in de meer afstandelijke zij-vorm verteld. In de eerste passus vernemen we dat ze in het ziekenhuis lkigt. Wat er precies gebeurd is, wat Lore en Sergei hiermee te maken hebben, wordt mondjesmaat aangereikt. Haar verhaal, en dit van Sergei, introduceert in de roman het thema van immigratie en integratie. Met ‘VIN’ bewijst Ruth Lasters, voor zover het nog nodig mocht zijn, dat zij niet alleen als dichteres, maar ook als prozaschrijfster definitief haar weg heeft gevonden.
[Jooris van Hulle – 14/10/2019]