Menu

Opiniestuk bij het gedicht Losgeld

1 september

 

Ruth Lasters werkt als leerkracht in het middelbaar onderwijs en reageert op de septemberstart waarbij alweer duizenden twaalfjarigen in A- en B-jeugd worden verdeeld.

 

Eind vorig schooljaar schreven leerlingen uit het beroepsonderwijs (Spectrumschool Deurne) samen met mij het gedicht Losgeld om meer respect te vragen voor de vakmannen en -vrouwen van onze maatschappij. Dit is de opening: ‘Olie-, oliedomme staat die leerlingen vanaf twaalf jaar nog altijd letterlijk met ‘A’ labelt of ‘B’. Welkom in het middelbaar!’

 

Toen ik voor aanvang van de schrijfworkshop aan mijn doelgroep vroeg of zij wel eens negatieve opmerkingen kregen over niet in het ASO zitten, rolden sommigen met hun ogen alsof ik had gevraagd of water nat is. Daar moet ik aan denken nu het nieuwe schooljaar begint en duizenden twaalfjarigen worden ingedeeld in een A- en B-stroom.

 

Is het werkelijk nodig om onze minister van onderwijs samen met al zijn cabinetards verplicht een maand supermarktrekken te laten aanvullen met A- en B-merken om de gruwelijke stigmatisering van die twee lettercategorieën te laten doordringen? Of zou het helpen om voor aanvang van de parlementaire vergadering voortaan het begindeuntje van The A-team door de luidsprekers te laten schallen om alle politici eraan te herinneren dat A niet zomaar een letter is maar een regelrecht statussymbool. Wat meteen suggereert dat B de ‘mindere catgerorie’ is, ook al mag die letter dan slechts bedoeld zijn als een argeloze, neutrale afkorting van beroepsonderwijs.

 

Als leerkracht vind ik het haast tragikomisch om beleidsmakers hun verbouwereerdheid te horen uiten over onderwijsproblemen zoals het lerarentekort, wetende dat het establishment zelf de kiem van schoolweerzin in duizenden twaalfjarigen plant op 1 september.

Natuurlijk zit het probleem hem niet alleen in de A- en B-labeling van leerlingen. Deze totaal onpedagogische indeling is slechts een symptoom van een maatschappij die systematisch de loftrompet steekt over cognitieve intelligentie en haar neus ophaalt voor het technische vernuft en de handvaardigheid.

Vlaanderen misprijst haar vakmannen en -vrouwen in schrijnende mate. Haar dedain uit zich zelfs tot in de grammatica. Een voorbeeld hiervan is het woordje ‘maar’ in zinnen zoals: ‘Hij is maar uit een werkmansbroek geschud’ of ‘Zij heeft maar een diploma van kapster.’ Die ‘maar’ zit volgezogen met het gif van het elitarisme dat voor vele jongeren en volwassenen verlammend is.

 

De geïnstitutionaliseerde stigmatisering van beroepsleerlingen en van alle andere niet-ASO’ers heeft monstergrote maatschappelijke gevolgen.

Eerst en vooral voelt een ‘maar’ B-stromer zich minder gemotiveerd dan een A-stromer, wat de kans aanzienlijk verhoogt op vroegtijdig schoolverlaten. In het schooljaar 2019-2020 verliet slechts 2,2% van de ASO’ers het onderwijs zonder diploma ten opzichte van maar liefst 14% van de voltijdse beroepsleerlingen en 58,1% van de jongeren uit het deeltijds beroepssecundair onderwijs. Ook in het TSO en KSO zijn er meer ongediplomeerde schoolverlaters dan in het ASO (Statistiek Vlaanderen).

Ten tweede verzwaart de door het beleid veroorzaakte negatieve starthouding van veel leerlingen de taak van de leerkracht. Het klasmanagement wordt moeilijker als tal van leerlingen hun schoolinteresse verliezen. Hierdoor daalt de arbeidsvreugde die volledig gedijt op de interactie tussen leerkracht en leerling. Dit is een bepalende factor van het huidige lerarentekort dat alleen maar zal vergroten als de beleidsmakers zich zullen blijven laten sturen door de adviezen van praktijkblinde academici die er met al hun dure cijferanalyses helaas niet in slagen om de menselijke factor van het onderwijssysteem te vatten. De M-factor valt niet in kaart te brengen met steriele grafiekjes allerlei. Het onderwijs is geen beursmarkt maar een systeem van hoogst complexe sociale interactie.

Ten derde leidt vroegtijdige schooluitval vaak tot levenslange financiële en psychologische gevolgen. Hier kan algemeen maatschappelijk ongenoegen uit voortvloeien dat zich in het gevaarlijkste geval uit als radicalisering in alle mogelijke richtingen.

Daarnaast zijn er ook tal van schitterende loodgieters, kappers, bakkers, elektriciens, stukadoors, enzovoort die ondanks financieel succes een totaal onterecht minderwaardigheidsgevoel over houden aan hun onderwijsverleden.

 

Ik sluit af met het slot van het bovenvermelde gedicht dat beroepsleerlingen met me schreven over deze kwestie: ‘Wij, trappenmakers, berekenen de hellingsgraad de ideale afstand tussen treden. Kunt gij dat, Vlaanderen? En weet gij zoals wij, mecaniciens, alles over de juiste spanningskracht op de bouten van de nokkenas of hoe de distributieriem vervangen dient voor een perfecte kleptiming? Zolang gij, Vlaanderen, niet ook de vakman slim noemt in kranten, spelprogramma’s en journaals zijt gij de A’s in uw naam VlAAnderen niet waard.’

#allemaalAjeugd