Menu

De staatssecretaris op de rotte erwt: reactie op Theo Francken die zijn droomschool definieerde

De staatssecretaris op de rotte erwt (De Standaard, november 2018)

Schrijfster Ruth Lasters werkt als leerkracht in het middelbaar onderwijs en reageert op Theo Francken die het woord ‘elitair’ wil schoonwassen, zelfs binnen de precaire context van het onderwijs.

Het is geen erwt die mijn nachtrust al een week lang verstoort, maar een enkel woord.
Op 13 november las ik in deze krant (SD) dat staatssecretaris Francken droomt over het oprichten van een ‘Eliteschool voor iedereen, elitair aan de uitstroom, niet aan de instroom.’
In datzelfde artikel benadrukt hij dat hij ‘elitair’ ‘geen vuil woord’ vindt. Sterker nog, hij tracht het woord ‘elitair’ van alle smet te zuiveren door simpelweg te zeggen: ‘In België moet alles socialistisch en gelijk zijn. Niemand zou daar in de VS aanstoot aan nemen.’

Het verontrust mij dat een invloedrijk man als Theo Francken een woord als ‘elitair’ denkt schoon te kunnen wassen door te verwijzen naar de Amerikaanse maatschappij waar volgens een VN-rapport maar liefst 1 op 8 mensen ofwel 40 miljoen burgers onder de armoedegrens leven.
Als hij zegt: ‘Niemand zou in de VS aanstoot nemen aan het woord elitair’, verwijst die ‘niemand’ dan naar de hardwerkende Amerikaan die zelfs met meerdere jobs onder het bestaansminimum leeft of eerder naar de happy few, naar de elite zelf, die per definitie het woord ‘elitair’ aanhangt, zoals een bedrijf zijn eigen logo koestert?

Ik heb meer dan een week geprobeerd om dit opiniestuk niet te schrijven. Ik heb mijzelf eerst trachten te overtuigen van het feit dat de staatssecretaris in het krantenstuk van 13/11 (SD) met ‘elitair’ alleen maar ‘kwalitatief’ bedoelt en dat mijn nachtelijk gewoel dus op niets berustte dan muggenzifterij. Maar telkens dacht ik daarbij aan het sprookje. Telkens als ik Franckens promotiepraatje van het woord ‘elitair’ probeerde te begrijpen als een goedbedoeld reclamespotje voor niets dan onderwijskwaliteit, zag ik de prinses uit het verhaal wakker liggen door een enkele erwt onder een hele stapel matrassen.
Ik weet dat Theo Francken een overbezet man is, maar toch zou ik graag willen dat hij zich die hoop matrassen even voor de geest haalt en vervolgens wijzigt in een immense stapel schoolrapporten uit alle richtingen en onderwijstypes. Al vele decennialang ligt het begrip ‘elitarisme’ te rotten als een stinkende mega-erwt onder die stapel bestaand uit alle Vlaamse leerlingenrapporten. Elitarisme is juist datgene dat heel ons onderwijssysteem langzaam ondergraaft en onrechtstreeks aan de basis ligt van ontzettend veel burn-outs onder leerkrachten.

Het probleem met de school waarvan meneer Francken droomt, ‘elitair aan de uitstroom, niet aan de instroom’, is dat ze reeds lang bestaat.
Zijn droom is al lang werkelijkheid in de vorm van ‘witte’ ASO-scholen waar alle jongeren ‘in principe’ worden toegelaten. Wel treedt het watervalsysteem er gruwelijk snel in werking door onder meer een gebrek aan omkadering om leerlingen met taalachterstand e.d. ernstig te kunnen remediëren. De zogenaamde eenmaking van de eerste graad die er zit aan te komen, zal deze onverbiddelijke afvalrace mijns inziens niet oplossen, alleen maar maskeren.

Theo Francken beweert dat hij in zijn elitaire droomschool ook BSO- en TSO-richtingen wil aanbieden, maar tegelijkertijd suggereert hij geen fan te zijn van het woord ‘gelijk’. Het is immers op een ietwat spottende en neerbuigende manier dat hij in het artikel van 13/11 stelt: ‘In België moet alles gelijk zijn.’
Als BSO-leerlingen ook mee aan de start zouden mogen staan van Franckens prestigieus onderwijsinstituut – op zich uiteraard een prachtige gedachte – maak ik mij zo mogelijk nog ongeruster over zijn reclame voor het woord ‘elitair’ in combinatie met zijn afkeer van het begrip ‘gelijk’.
Meer dan vijftig procent (docs.vlaamsparlement.be) van alle BSO- en TSO-leerlingen die school lopen in het Vlaamse Gewest – in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn dat er zelfs nog veel meer – zijn immers jongeren afkomstig uit een milieu waar de thuistaal niet Nederlands is en de moeder veelal het secundair onderwijs niet voltooide, om nog maar te zwijgen over de economische malaise van hun thuisgezinnen.
Door deze statistische waarheid vraag ik mij af hoe het begrip ‘elitair’ in Franckens droomschool ook maar een trimester lang gewoon een synoniem van ‘kwalitatief’ zou kunnen blijven, in plaats van zijn etymologische betekenis op te eisen en enkel te staan voor ‘uitgekozen’, ‘behorend tot een kleine, geprivilegieerde groep’.
Zonder een absoluut prioritair gelijkheidsbeleid – Francken rept met geen woord over maatregelen om de ongelijke leerhoogte na het startschot weg te werken – is een brede instroom van leerlingen in zijn droomschool niet meer dan een beleefde schijnuitnodiging, een ‘je bent natuurlijk welkom, maar zou je wel komen, je hebt vast iets anders te doen.’

Het handige aan erwten is dat men ze eenvoudigweg tussen duim en wijsvinger kan pletten of wegschieten, zo men dat wil. Een begrip als ‘elitair’ kan jammer genoeg niet een-twee-drie worden vernietigd, net zomin als het door een staatssecretaris met succes kan worden opgeblonken.
Wat er ook van zij, de dag dat de gedachte aan elitarisme mij in slaap sust in plaats van me te verontrusten, is er in het onderwijs geen plaats meer voor mij. Dat beloof ik aan mijzelf en al mijn leerlingen, met welke thuistaal, origine, leerstoornis, beperking of economische omstandigheden ook.