Menu

Balboekje der balorigheden: over beginnende leerkrachten (het echte verhaal achter VIN)

Balboekje der balorigheden (De Standaard, november 2017)

Eenentwintig was ik toen ik het tuchtprobleem uitvond. Ik was de allereerste ooit die het ontdekte. Die indruk kreeg ik tenminste in de school waar ik begon les te geven aan leerlingen die nauwelijks drie jaar jonger waren dan ikzelf.
Mijn toenmalige collega’s waren zo onder de indruk door kabaal ontstaan tijdens mijn les, dat het scheen alsof zij nog nooit hadden gehoord over een dergelijke situatie, laat staan dat zij het zelf ooit hadden meegemaakt. Ook aan hun plotse glaciale zwijgen als ik de leraarszaal binnenkwam, voelde ik dat zij het moeilijk hadden met mijn baanbrekende uitvinding: ‘het gezagsprobleem’. Zij hadden immers nooit tijd gehad om zulke vernieuwing te bedenken. Zij hadden het altijd te druk gehad met het tentoonspreiden van hun haast aangeboren expertise. Het leek alsof zijzelf nooit een inloopperiode hadden doorgemaakt, maar op een dag kant en klaar waren afgeleverd aan de schoolpoort. Zij deden alsof de Minister van Onderwijs hen op een ochtend was komen activeren door plechtig een stuk krijt in hun hand te pluggen, waarna zij waren begonnen aan een volkomen efficiënte carrière.

Vandaag, zestien jaar later, weet ik mij in tegenstelling tot toen omringd door motiverende collega’s die ik oprecht dankbaar ben. Het faalangstige groentje uit werkverdrietjaar 1 is langzaam verdwenen. Maar groen lachen doe ik des te meer als ik in de krant een kop lees als ‘Leraar worden kan sneller’ (De Morgen, 22/11/2017).

Het Ministerie van Onderwijs heeft beslist om de huidige universitaire lerarenopleiding om te vormen tot een systeem met ‘educatieve masters’, waardoor veel studenten sneller hun leerkrachtendiploma op zak zullen hebben. Lees: veel jonge mensen zullen nóg sneller worden geacht volwaardige lesgevers te zijn, terwijl hun doelgroepen almaar groter, heterogener en dus complexer worden.
Zou een beleidshervorming die net het recht promoot om ‘trager volwaardig leerkracht te mogen worden’ dan niet veel logischer zijn? Is een verkorting van de totale opleidingstijd wel degelijk de oplossing als te veel jonge docenten nu al vroegtijdig afhaken? Is het niet zo dat talloze gediplomeerden het onderwijs vandaag reeds definitief de rug toe keren door de enorme discrepantie tussen de beperkte opleiding en de duizelingwekkende klasrealiteit?

Uiteraard kan een onderwijshervorming ervoor zorgen dat studenten sneller een leerkrachtendiploma kunnen voorleggen. Maar ‘sneller leerkracht worden’ is nog wel wat anders. Leerkracht worden is een proces dat door geen regeringsbeslissing of beleidsnota kan worden versneld. En zeker niet door een programma dat de leerkrachtenopleiding blijft onderverdelen in slechts twee grote luiken: het verwerven van vakkennis en het aanleren van de pedagogische vaardigheden.
Als er al sneller leerkrachten moeten worden afgeleverd, dient men op zijn minst ook het derde aspect van de toekomstige job een even gewichtige plaats toe te kennen in de opleiding: de psychologische rijpheid.
Het is urgent dat toekomstige leerkrachten naast hun klassieke vorming een oerdegelijke weerbaarheidstraining krijgen die de klemtoon legt op de mens die voor het bord staat. De mens in al zijn complexiteit en broosheid, eigenschappen die voorts voor de leerlingen van groot didactisch belang kunnen zijn. Van levensbelang.
Het wordt hoog tijd dat leerkrachten niet langer worden opgeleid tot gestresseerde onderwijsperfectionisten, maar tot gemotiveerde onderwijsspecialisten. Dat is een belangrijke nuance die in het kader van het remediëren van faalangst en burn-outs dringend van bovenaf moet worden verdedigd. Hoeveel leerkrachten moeten er nog uitvallen door overspannenheid eer het Ministerie van Onderwijs ‘professioneel welzijn’ als een van de hoofdvakken toevoegt aan het curriculum?

Helemaal ideaal zou het natuurlijk zijn om jonge leerkrachten in te schakelen in een co-teachingsysteem, waarbij een nestor hen stapsgewijs begeleidt bij het uitklappen van het eigen ladingsstel. En als zulke junior-senior-duobanen onbetaalbaar zijn, dan zou
het al veel soelaas brengen mochten prille leerkrachten een officiële trial and errorperiode-krijgen van elk docentenkorps en elke directie waar dan ook. Ik denk aan een sperperiode waardoor het simpelweg onmogelijk is dat een beginneling zich dé uitvinder van het tuchtprobleem waant.
Ook zouden scholen standaard een intervisiemoment kunnen organiseren waarbij oude rotten worden aangespoord om open te communiceren over de moeilijkheden uit hún beginjaren waardoor nieuwelingen veel sneller uit hun onzekerheid kunnen groeien. Lang niet in alle scholen tonen de anciens immers spontaan hun lijst van minder glorieuze leservaringen. Hun balboekje der vroegere balorigheden, zeg maar. Het is anders een collegiale plicht om het te tonen aan elke prille leerkracht die voor ons staat.

verschenen in De Standaard, 23/11/2017