Menu

Samba: over culturele verzoening

Samba (De Standaard, juni 2019)

Ik genoot dit weekend van Borgerrio, ‘het kleurrijkste festival van ’t stad’. Het werd vooral interessant toen de schaars geklede sambadanseressen voorbij kwamen. Ik keek naar al die sublieme heupbewegingen én naar de reacties van de toeschouwers: knappe jonge nieuwe Belgen, iets oudere westerlingen en dames en heren in djellaba’s. Laatstgenoemden hadden opvallend veel oog voor de kraampjes met koopjes juist op het ogenblik dat die wulpse vrouwen voorbij dansten.
Ik kon het niet laten mij voor te stellen hoe het publiek zou reageren mocht die sambaformatie eensklaps veranderen in een even bonte wagen uit de Antwerp Pride Parade.
Ik zag al die wegdraaiende hoofden en wist met absolute zekerheid dat een regenboogstoet langs de Turnhoutsebaan – zoals Jinnih Beels even geleden voorstelde– enorme commotie zou veroorzaken, net zoals dat voorts in zoveel andere middens het geval zou zijn.
Ik fronste ondanks het feestgedruis. Ook ik droom zoals Vlaams Parlementslid Lorin Parys van een ‘land waarin iedereen overal mag zijn wie hij is’ en net als hij ben ik trots op onze ‘verworvenheden’ (DS, 24/06).
Terwijl de sambaband de ene helft van het publiek liet meeshaken en de andere deed verstijven, dacht ik aan dat prachtige holebicafé op een boogscheut van Borgerrio. Die korte afstand bevreemdde me en gaf me tegelijk hoop.
Ik weiger te geloven in de angstpromotie van sommige partijen, noch in de naïeve geen-vuiltje-aan-de-lucht-show van andere. Culturele verzoening is als zo’n fraai sambakostuum van talloze veren en pailletten. Het telt zoveel diverse componenten dat het alleen uiterst traag maar stevig tot stand kan komen, opgewassen tegen het nodige geschud en gezwaai. Zo’n kostuum maakt zich echter niet zelf, het vereist weldoordachte manoeuvres.

Tijdens de parade namen mijn partner en ik plaats op een terras vlak bij een theebar waar uitsluitend mannen komen.
Iets moet me al lang van het hart. Ik heb het er best moeilijk mee dat er in deze doorgaans aangename wijk horecazaken zijn waar ik als vrouw, die bijdraagt aan deze gemeenschap, duidelijk niet verondersteld word binnen te gaan.
Het terras zat zo vol dat wij een tafeltje deelden met twee heren die in het Berbers zaten te keuvelen. Toen een van hen glimlachend tegen me praatte over het warme weer, kreeg ik de krop in de keel. Het normaal gezien ordinairste praatje ter wereld klonk plots niet zo banaal. Mijn wrevel omtrent de mannentheebar glipte van me af tot tussen de heerlijke sardines op mijn bord. Ik nam me voor om voortaan bij het zien van die theebar ook aan deze straatbarbecue te denken.
Dan hernamen de twee heren hun conversatie, en mijn man en ik de onze. We graaiden alle vier om beurten naar een stuk papier om het vet van de gegrilde vis mee af te vegen. Soms is