Menu

Opiniestukken voor De Standaard

De gouden munt

Bestaat er iets elitairders dan leerplannen die ‘ontroering’ alleen reserveren voor de zogezegde bollebozen?

Het begon met een ogenschijnlijke lapsus. Tijdens de nabespreking van een film gebruikte ik in een impuls het woord ‘anachronisme’ in een klas vol beroepsleerlingen. Terwijl ik hen de betekenis van de term uitlegde, dacht ik er meteen bij dat ik als gelijke-kansen-coördinator toch beter moest weten en mijn taalregister aan mijn doelgroep diende aan te passen. Zelfs Hamed, de meest gedreven leerling van 5 Kantoor, greep verveeld naar zijn gsm, meende ik, wat mijn ongepaste, te complexe woordkeuze alleen maar scheen te onderstrepen. Toen ik hem verzocht om zijn mobieltje weg te stoppen, zei hij me dat hij het alleen genomen had om iets te noteren. En werkelijk, een paar minuten later verliet hij de middagactiviteit met mijn definitie van het woord ‘anachronisme’ in zijn gsm die in een peperdure Seven jeans spande.
Kansarmoede heeft het chicste, duurste uniform in een klas als 5 Kantoor vol Borgerhoutse jeugd met designersweaters en Pradasneakers, zo’n drie keer prijziger dan het gemiddelde docentenschoeisel. Maatschappelijke onzekerheid hult zich in blingbling. Daaraan denkend, vermoedde ik meteen dat het spontaan noteren van een woord als ‘anachronisme’ niet alleen duidde op Hameds ijver, maar dat er meer achter zat. Toen er een week later commotie in een klas ontstond doordat een leerling een splinternieuwe iPhone 6 Plus bij bleek te hebben, die als een pasgeboren cavia werd doorgegeven en bepoteld, kon ik de aandacht van mijn jongens alleen maar winnen door hoger te bieden. Ik zei hen dat ik een iPhone 7 had.
‘Lassie vangt!’ hoorde ik iemand mijn bijnaam gebruiken. ‘Kan niet, mevrouw, de iPhone 7 is nog niet op de markt!’ riep iemand anders. ‘Oké, toegegeven, ik heb geen volledige iPhone 7, maar wel iets wat er zeker in zal zitten. Zoals jullie daarnet zelf zeiden, zitten er meerdere milligrammen goud in een iPhone en dit is goud’, zei ik, naar het begrip ‘déjà vu’ wijzend, dat ik net op bord had geschreven tijdens het werken rond een tekst. Opnieuw geroezemoes. Natuurlijk waren ze niet onder indruk van mijn poging om taal voor edelmetaal te verslijten. Leerkrachtenlulkoek. We achterhaalden samen de betekenis van de term en daar staarden ze al terug naar het technologisch hoogstandje van Apple dat nog steeds werd rondgegeven. Ik had niet de indruk dat ze nog naar me luisterden toen ik hen de opdracht gaf eens te vragen aan de leerkracht van het volgende lesuur of hij wel eens een déjà vu had en om zijn reactie op hun vraag te observeren.

‘Meneer Geysens zegt dat hij soms een déjà vu heeft terwijl hij met zijn hond aan het wandelen is. Duhh?’ snauwde een ongelovige inzake de goudwaarde van dat woord de volgende dag. Andere leerlingen hadden wel degelijk Geysens’ enthousiasme over hun woordenschat opgemerkt en reageerden niet geheel ongeïnteresseerd toen ik hun beloofde om voortaan tijdens elke middagactiviteit zo’n ‘gouden munt’ te laten vallen, zo’n verbaal statussymbool.

Het meest frapperende aan het experiment was echter dat de echte gouden munten de bronzen munten bleken te zijn. Pas na het hun aanreiken van enkele “dure” woorden zoals ‘anachronisme’ en ‘stigmatiseren’ werd het me duidelijk hoeveel andere, veel courantere woorden zoals ‘compensatie’, ‘imago’, ‘dilemma’, ‘orgelpunt’, ‘viseren’ en ‘compromis’ eveneens blinde vlekken voor hen waren.

In het leerplan Project Algemene Vakken (PAV) van de derde graad BSO zijn er absurd veel domeinen zoals rekenvaardigheid en organisatiebekwaamheid die allemaal in 4 lestijden per week moeten worden behandeld. Mede daardoor beperkt het taalgedeelte zich tot louter ‘Functionele taalvaardigheid’. De lexicale eindtermen zijn zeer vaag, haast vrijblijvend omschreven als ‘het hebben van een gevarieerde woordenschat.’ Daarnaast valt op dat beroepsleerlingen vanaf de tweede graad systematisch worden uitgesloten van verplichte ‘emotieve tekstsoorten’, die als ‘doel hebben te ontroeren’, terwijl het leerplan Nederlands ASO alle tekstsoorten voorschrijft op alle mogelijke verwerkingsniveaus.
Bestaat er iets elitairders dan ontroering, het bindmiddel van onze soort, slechts officieel te reserveren voor de zogezegde bollebozen? Een leerplan dat alleen het werken met ‘informatieve, persuasieve en prescriptieve tekstsoorten’ bindend maakt, betekent zoveel als een heel deel van de bevolking afsnijden van taalemotie en -plezier, precies dat wat essentieel is voor een natuurlijke, continue verbale en ook cognitieve ontwikkeling. Zo blijft het Nederlands van beroepsleerlingen willens nillens – de goede bedoelingen van het ministerie van onderwijs staan hier geenszins ter discussie – een smalle gang vol gesloten deuren, waarachter interessante toneelstukken, politieke debatten en filmdialogen kwetteren in een jargon doorspekt met door hen onbegrepen termen, die daarom stuk voor stuk uiterst pijnlijk gaan betekenen: ‘niet bestemd voor ons’. Geachte Minister Crevits, reik in de nieuwe leerplannen louter functioneel taalgebruik niet meer bedrieglijk aan als een passe-partout als het is bewezen dat dit maar een beperkte maatschappelijke toegang verschaft. Reik ook beroepsleerlingen de dikst mogelijke sleutelbos aan, die misschien voor sommige van hen deels ongebruikt blijft, maar die bij elke stap even luid rinkelt als de bos van alle anderen in de gang.

Cruiseterminal (De Standaard, juni ’19)

Vandaag zat ik net als duizenden andere leerkrachten in delibererende klassenraden die een A- , B- of C-attest toewijzen aan scholieren. Ik vind het boeiend om deel te mogen uitmaken van een orgaan dat zijn beslissing baseert op een waaier van gegevens: de cognitieve ontwikkeling, het psycho-emotionele kader en de zelfredzaamheid bij eventuele leerobstakels. Het schooljaar van een leerling wordt in zijn volledige gelaagdheid overschouwd als was het een cruiseschip dat met al zijn dekken aanmeert.

Nu meerdere politieke partijen de invoering van centrale examens willen, rijst de vraag of de eindbeslissing in de toekomst niet zo eendimensioneel dreigt te worden als een vlot. Velen mogen dan nog beweren dat zulke centrale proeven het evaluatiesysteem niet zouden uithollen, maar juist zouden uitbreiden. Toch ben ik sceptisch.
Zelfs ronduit verontrust ben ik als ik lees in het tijdschrift Klasse dat onderwijsexperten zoals cognitief psycholoog Wouter Duyck (UGent) pleiten voor ‘standaardtoetsen die in sterke mate bepalend zijn voor de oriëntering van leerlingen’. Ik steiger al helemaal als Open VLD’er Franc Bogovic dit systeem in Knack promoot als ‘een slimme manier om leerprestaties te volgen en mogelijk zelfs te verhogen op een sociaal eerlijke manier’.

Ik zie voorlopig niet in hoe een beslissing bijna louter gebaseerd op standaardtoetsen die enkel de kennis en vaardigheden in kaart brengen, sociaal eerlijk kan zijn. Zeker als je beseft dat zulke universele proeven per definitie zullen geschieden via het medium taal. Een talige test kan alleen fair zijn als de resultaten daarna van hun kilheid worden ontdaan door ze in een complexe context te plaatsen: de thuistaalsituatie, de socioculturele achtergrond, de emotionele maturiteit en het afgelegde schooltraject.
En hoe kunnen doorslaggevende standaardtoetsen überhaupt rechtvaardig zijn tegenover leerlingen met leerstoornissen? In ons huidige evaluatiesysteem krijgen deze jongeren hun hele schoolloopbaan de tijd om een hoogstpersoonlijke toolbox te ontwikkelen. Deze wordt nu wél mee in beschouwing genomen alvorens een attest wordt toegekend.
Experten zoals bovengenoemde beweren dat gestandaardiseerde examens zouden leiden tot ‘minder waterval’. Bedoelt men daar misschien mee dat hele groepen jongeren niet langer van de elitaire onderwijsrots zouden vallen omdat ze door het nieuwe oriënteringsmodel niet eens meer zouden mogen starten aan de zogezegde top?

Centrale examens waaraan een te zwaar gewicht wordt toegekend dreigen de populatie van Vlaamse jongeren in tweeën te breken zoals een immense Titanic van taalverwervingsniveau. De ene helft heeft natuurlijk geluk en stormt zodra de test-stress losbarst naar de sloepen vervaardigd uit oerdegelijke moedertaal rustend op een sterke cognitieve ouderlijke bodem. Het andere deel stormt ook naar het dek, op zoek naar reddingssloepen van hoogwaardige taalsteun en geraffineerde leerstoornis-remediëringsmaterialen. Oh ja, voor sommigen een detail: er zijn lang niet genoeg sloepen voor iedereen, maar dat zal niemand verbazen. Dat weet men al sinds 15 april 1912.

De smalle broedkont van het onderwijs (De Standaard, april 2019)

Schrijfster Ruth Lasters werkt als leerkracht in het middelbaar onderwijs en reageert op het twaalfpuntenplan voor het onderwijs van Open VLD.

Normaal gezien worden er met Pasen eieren verstopt. Nu de verkiezingen voor de deur staan, leggen politieke partijen zoals Open Vld hun eieren juist zo opzichtig mogelijk neer in het stugge onderwijslandschap.
Voorzitter Gwendolyn Rutten poneerde vorige week een twaalfpuntenplan om het onderwijs weer op de rails te krijgen. In een gezamenlijk interview in De Morgen (19/04/19) trad cognitief psycholoog Wouter Duyck (UGent) haar bij. Zonder ernstige ingrepen gaat er volgens hem ‘een sociaal drama gebeuren in het onderwijs.’

Is het niet vreselijk dat er pas van een ‘sociaal drama in het onderwijs’ wordt gesproken na studies zoals die van de KU Leuven waaruit blijkt dat de ‘kwaliteit van het onderwijs er flink op achteruitgaat’ (01/04/2019, De Standaard), ook bij de sterkste leerlingen?
Het bewijst nog maar eens dat Vlaanderen een broedhen is die pas paniekerig kakelt als de ASO-eieren rare vlekken of zelfs barsten beginnen te vertonen. Dat terwijl TSO’ers al decennia maatschappelijk worden verstoten tot aan de rand van het nest. BSO’ers worden er zelfs ronduit uitgeduwd, met alle mogelijke schade aan de schaal van hun eigenwaarde. Maar liefst 17 procent (De Morgen, 29/03/’19) van laatstgenoemden komt die val niet te boven en verlaat zonder diploma de school met onder meer levenslange financiële gevolgen.

Dát is het echte sociale drama, al wil Rutten dat misschien niet horen. Zij zegt immers ‘het debat minder emotioneel te willen maken’, terwijl het BSO-stigma voor vele duizenden jongeren elke dag een hoogst pijnlijke realiteit is. ‘Onze meisjes en jongens worden nog altijd scheef bekeken’, verwoordde de gemotiveerde praktijkleerkracht Karl Van Marcke het onlangs nog in een Humo-interview (09/04/19).
Sterker nog, de overheid promoot volop zelf het eersterangsprofiel van de ASO’er door deze onderwijsvorm steevast als eerste te vermelden op webpagina’s en in studies. Nee, daar zit uiteraard geen slechte bedoeling achter, het lijkt de logica zelve aangezien de A voor algemeen staat. Toch pompen zulke gewoontes de term ASO op tot een onwenselijk mensenlabel, alsof jongens en meisjes uit de B-richting slechts B-merk-burgers kunnen worden later. Wie die stelling overdreven vindt, moet maar eens tijdens een ouderavond aan mensen vertellen dat hun zoon of dochter het advies BSO krijgt. De ronduit verbolgen reactie van sommigen bewijst dat de B van BSO jammer genoeg vaak voor ‘belediging’ lijkt te staan, in plaats van voor beroepenvelden die zorgen voor ingenieuze elektrische bekabeling, verwarmingsinstallaties, koelkasten tjokvol hygiënisch bereid voedsel en medische compressoren zonder welke er zelfs letterlijk ademnood ontstaat.

Nog voor de onderwijshervorming van start is gegaan, verkondigen Gwendolyn Rutten en Wouter Duyck: ‘De brede eerste graad is een ramp.’ Enige scepsis is inderdaad op zijn plaats. Ook ik zie niet meteen in hoe het uitstellen van de studiekeuze en het invoeren van nieuwe eindtermen de complexe klaspraktijk weer werkbaarder kunnen maken en de vele burn-outs aan banden kunnen leggen. Maar de brede eerste graad betekent wel de eerste noemenswaardige poging om het huidige, denigrerende watervalsysteem te stoppen. In menselijk opzicht is de hervorming wat mij betreft daarom bij voorbaat verdienstelijk te noemen.

Er gaat dit jaar bijna veertien miljard naar Onderwijs en Vorming. Een aardig stuk daarvan gaat allicht naar de logistieke ondersteuning van de stielman en -vrouw in spe. Maar hoeveel van het budget wordt besteed aan hun herwaardering?
En waar zijn al die bekende Vlamingen die uit het beroepsonderwijs komen? Kunnen die eens dringend luidkeels van zich laten horen?
Wanneer worden televisieprogramma’s die draaien rond praktische intelligentie eens eindelijk met recht en reden ‘De slimste vakman/-vrouw’ genoemd? Het is nefast dat onze media het bijvoeglijk naamwoord ‘slim’ alleen gebruiken voor louter cognitieve vaardigheden. Want wie is nu het slimst, iemand die weet in welk land de Aconcagua ligt (vraag uit De Slimste Mens ter Wereld) of iemand die het elektrische vermogen van een ruimte kan berekenen en een draadschema kan tekenen voor deze installatie (vraag uit een examen Elektriciteit)?
Ook een minister van intermenselijkheid kan soelaas brengen, bijvoorbeeld een succesvolle oud-BSO’er die de imagokloof tussen de zogezegde bollebozen en de anderen doelgericht wegwerkt. Net zoals de statutaire verschillen tussen arbeiders en bedienden langzaam worden genivelleerd.

‘De lerarenopleiding moet de topprofielen aantrekken,’ is een van de punten van Ruttens onderwijsplan. Het is mij niet helemaal duidelijk wat of wie de voorzitter van Open Vld hiermee bedoelt. Ik kan alleen maar hopen dat zij het hier ook heeft over leerkrachten zonder ASO-achtergrond die zichzelf, alle vooroordelen ten spijt, door verder te studeren opnieuw het overheidsnest in hebben gekatapulteerd. Om de al te smalle broedkont van ‘Onderwijs Vlaanderen’ wat breder te proberen maken zodat de staatswarmte álle eieren bereikt. Dit soort leerkrachten is, naast vele anderen, zeker de kwalificatie ‘topprofiel’ waardig.

De staatssecretaris op de rotte erwt

Schrijfster Ruth Lasters werkt als leerkracht in het middelbaar onderwijs en reageert op Theo Francken die het woord ‘elitair’ wil schoonwassen, zelfs binnen de precaire context van het onderwijs (SD, 13/11/2018).

Het is geen erwt die mijn nachtrust al een week lang verstoort, maar een enkel woord.
Op 13 november las ik in deze krant (SD) dat staatssecretaris Francken droomt over het oprichten van een ‘Eliteschool voor iedereen, elitair aan de uitstroom, niet aan de instroom.’
In datzelfde artikel benadrukt hij dat hij ‘elitair’ ‘geen vuil woord’ vindt. Sterker nog, hij tracht het woord ‘elitair’ van alle smet te zuiveren door simpelweg te zeggen: ‘In België moet alles socialistisch en gelijk zijn. Niemand zou daar in de VS aanstoot aan nemen.’

Het verontrust mij dat een invloedrijk man als Theo Francken een woord als ‘elitair’ denkt schoon te kunnen wassen door te verwijzen naar de Amerikaanse maatschappij waar volgens een VN-rapport maar liefst 1 op 8 mensen ofwel 40 miljoen burgers onder de armoedegrens leven.
Als hij zegt: ‘Niemand zou in de VS aanstoot nemen aan het woord elitair’, verwijst die ‘niemand’ dan naar de hardwerkende Amerikaan die zelfs met meerdere jobs onder het bestaansminimum leeft of eerder naar de happy few, naar de elite zelf, die per definitie het woord ‘elitair’ aanhangt, zoals een bedrijf zijn eigen logo koestert?

Ik heb meer dan een week geprobeerd om dit opiniestuk niet te schrijven. Ik heb mijzelf eerst trachten te overtuigen van het feit dat de staatssecretaris in het krantenstuk van 13/11 (SD) met ‘elitair’ alleen maar ‘kwalitatief’ bedoelt en dat mijn nachtelijk gewoel dus op niets berustte dan muggenzifterij. Maar telkens dacht ik daarbij aan het sprookje. Telkens als ik Franckens promotiepraatje van het woord ‘elitair’ probeerde te begrijpen als een goedbedoeld reclamespotje voor niets dan onderwijskwaliteit, zag ik de prinses uit het verhaal wakker liggen door een enkele erwt onder een hele stapel matrassen.
Ik weet dat Theo Francken een overbezet man is, maar toch zou ik graag willen dat hij zich die hoop matrassen even voor de geest haalt en vervolgens wijzigt in een immense stapel schoolrapporten uit alle richtingen en onderwijstypes. Al vele decennialang ligt het begrip ‘elitarisme’ te rotten als een stinkende mega-erwt onder die stapel bestaand uit alle Vlaamse leerlingenrapporten. Elitarisme is juist datgene dat heel ons onderwijssysteem langzaam ondergraaft en onrechtstreeks aan de basis ligt van ontzettend veel burn-outs onder leerkrachten.

Het probleem met de school waarvan meneer Francken droomt, ‘elitair aan de uitstroom, niet aan de instroom’, is dat ze reeds lang bestaat.
Zijn droom is al lang werkelijkheid in de vorm van ‘witte’ ASO-scholen waar alle jongeren ‘in principe’ worden toegelaten. Wel treedt het watervalsysteem er gruwelijk snel in werking door onder meer een gebrek aan omkadering om leerlingen met taalachterstand e.d. ernstig te kunnen remediëren. De zogenaamde eenmaking van de eerste graad die er zit aan te komen, zal deze onverbiddelijke afvalrace mijns inziens niet oplossen, alleen maar maskeren.

Theo Francken beweert dat hij in zijn elitaire droomschool ook BSO- en TSO-richtingen wil aanbieden, maar tegelijkertijd suggereert hij geen fan te zijn van het woord ‘gelijk’. Het is immers op een ietwat spottende en neerbuigende manier dat hij in het artikel van 13/11 stelt: ‘In België moet alles gelijk zijn.’
Als BSO-leerlingen ook mee aan de start zouden mogen staan van Franckens prestigieus onderwijsinstituut – op zich uiteraard een prachtige gedachte – maak ik mij zo mogelijk nog ongeruster over zijn reclame voor het woord ‘elitair’ in combinatie met zijn afkeer van het begrip ‘gelijk’.
Meer dan vijftig procent (docs.vlaamsparlement.be) van alle BSO- en TSO-leerlingen die school lopen in het Vlaamse Gewest – in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest zijn dat er zelfs nog veel meer – zijn immers jongeren afkomstig uit een milieu waar de thuistaal niet Nederlands is en de moeder veelal het secundair onderwijs niet voltooide, om nog maar te zwijgen over de economische malaise van hun thuisgezinnen.
Door deze statistische waarheid vraag ik mij af hoe het begrip ‘elitair’ in Franckens droomschool ook maar een trimester lang gewoon een synoniem van ‘kwalitatief’ zou kunnen blijven, in plaats van zijn etymologische betekenis op te eisen en enkel te staan voor ‘uitgekozen’, ‘behorend tot een kleine, geprivilegieerde groep’.
Zonder een absoluut prioritair gelijkheidsbeleid – Francken rept met geen woord over maatregelen om de ongelijke leerhoogte na het startschot weg te werken – is een brede instroom van leerlingen in zijn droomschool niet meer dan een beleefde schijnuitnodiging, een ‘je bent natuurlijk welkom, maar zou je wel komen, je hebt vast iets anders te doen.’

Het handige aan erwten is dat men ze eenvoudigweg tussen duim en wijsvinger kan pletten of wegschieten, zo men dat wil. Een begrip als ‘elitair’ kan jammer genoeg niet een-twee-drie worden vernietigd, net zomin als het door een staatssecretaris met succes kan worden opgeblonken.
Wat er ook van zij, de dag dat de gedachte aan elitarisme mij in slaap sust in plaats van me te verontrusten, is er in het onderwijs geen plaats meer voor mij. Dat beloof ik aan mijzelf en al mijn leerlingen, met welke thuistaal, origine, leerstoornis, beperking of economische omstandigheden ook.

Leeuwenjacht (De Standaard, maart 2016)

Pleidooi voor meer oog voor de vorm, de ‘manier waarop’ in de strijd tegen radicalisering. Omdat die problematiek net alles te maken heeft met de vorm, met welke oogopslag we naar elkaar kijken.

Ik weet niet of er leerkrachten zijn bij wie het ‘masterplan’ voor de hervorming van het secundair onderwijs werkelijk visioenen opwekt over proclamaties waarop geen enkele leerling ontbreekt. Sinds het échte toverwoord ‘maximumfactuur’ uit het dossier verdween, zijn zulke droombeelden in onze leraarskamer eerder zeldzaam. Het begrenzen van de schoolkosten, de oplossing voor een evenwichtige socio-economische mix van leerlingen, noodzakelijk tegen stereotiep denken en radicalisering van welke zijde ook, blijkt quasi onbespreekbaar voor het middelbaar onderwijs. Voor heel wat personeelsleden van zogenaamde concentratiescholen betekent de onderwijshervorming daardoor niet meer dan het autosalon van de carrosserie. De motor mag dan wel voorbarig zijn geroofd, uiteindelijk willen ook wij – we zullen wel moeten – plaatsnemen in het model van de toekomst. Maar vraag ons niet om ook nog eens te doen alsof de wagen echt rijdt en wij allemaal samen vrolijk op reis gaan.

Leerkrachten zijn professionele opnieuwbeginners. Focussen op het nu in plaats van op wat gisteren misliep, is immers onontbeerlijk voor een goede klasinteractie. Velen van ons concentreren zich dan ook op het positieve van de onderwijshervorming, zoals de talentenstimulerende verbreding van de eerste graad. Voor uitputtende mentale robbertjes vechten zoals mevrouw Rutten en minister Crevits de voorbije periode, heeft een docentenkorps noch tijd noch energie te over. Hoe hard beide politica’s ook hakketakken, in onze leraarszaal zouden Crevits en Rutten waarschijnlijk verbouwereerd naast elkaar staan. Ze zouden vermoedelijk evenveel koffie morsen als ze, met een te volle kop van de fout ingestelde automaat naar de tafel lopend, zouden horen vertellen over onze jongens die steeds vaker hun haar chemisch laten ontgolven. Om er Italiaanser uit te zien, minder Maghrebijns, aangezien zij zich met hun eigen look vrijwel kansloos achten in onze maatschappij. Zo’n reactie op het toenemende racisme laat allicht geen van beiden onberoerd. Een tweede koffiespat op de vloer als zij ontzet zouden vernemen over modelleerlingen die alleen omwille van hun huidskleur in één semester vaker hun identiteitskaart moeten tonen op straat dan wij in ons hele leven. Of over Imane en Hakima, twee leerlingen die op woensdagnamiddag in een callcenter werken en die van hun baas aan de telefoon moeten zeggen dat ze Chantal en Annelies heten, terwijl hun collega’s hun eigen voornaam mogen gebruiken. Het lijdt geen twijfel dat zowel Crevits als Rutten meer dan genoeg automaatkoffie zou morsen om het etiket ‘oprecht betrokken’ opgekleefd te krijgen. Een label dat zelfs stevig zou blijven zitten als iemand hun kille profileringsdrang zou durven verwijten.

Als zij echter zelf labels moeten uitdelen, doen zij dit soms zo nonchalant dat hun inhoudelijk goede bedoelingen erdoor overschaduwd raken. Toen Rutten het in een recent interview in deze krant had over de prille leeftijd waarop kleuters bij voorkeur naar school gaan, zei ze: ‘Het ergerlijke is dat uw en mijn kinderen dat wel zullen doen, want wij beseffen hoe belangrijk onderwijs is.’ Zoiets stellen betekent niet gewoon ‘niet rond de pot kunnen draaien’ – wat Rutten koketterend over zichzelf zegt. Het is ronduit minachtend ten opzichte van een hele groep ouders over wie hier wordt gesuggereerd dat zij, in tegenstelling tot de ‘wij’ in de zin, het belang van onderwijs niet inzien. Dit terwijl er tal van socio-culturele drempels zijn waarom zij hun kind niet zeer vroeg naar school sturen. En nee, dit is geen semantische haarkloverij. Ruttens formulering staat gelijk met een veroordelende oogopslag jegens vele duizenden mensen, precies datgene waar onze almaar meer gepolariseerde maatschappij geen behoefte aan heeft.

Ook minister Crevits giet haar beste intenties mijns inziens soms in een ongelukkige format. Zij schreef afgelopen december een subsidie van 100.000 euro uit voor het project Connect dat op dit moment her en der van start gaat. Connect is een initiatief om jongeren ‘met een extreem risicogedrag zoals radicalisering te begeleiden in klas- en schoolverband.’ In een schoolse context betekent het zich richten op het veronderstelde risicogedrag van enkelingen zoveel als een leeuw trachten te doden door ‘Leeuw! Leeuw!’ te roepen. Begint een geslaagde leeuwenjacht niet juist met het verzamelen van iedereen binnen een en dezelfde beschermende vuurkring? Was het niet veel doeltreffender geweest om die 100.000 euro te besteden aan uitwisselingsprojecten tussen zogenaamde ‘witte’ en ‘gekleurde’ scholen? Aan ontmoetingen tussen BSO-ers en ASO-ers, tussen BUSO-ers en TSO-ers, tussen christelijke, islamitische, joodse en vrijzinnige jeugd? Op die manier kunnen jongeren vooroordelen over elkaar vervangen door genuanceerde ervaringen, essentieel om niet uit te groeien tot leden van één subgroep, maar tot vertegenwoordigers van onze hele soort. Als jongeren dan per se gelabeld moeten worden, laten we het dan meteen grondig doen en kleefpapier gebruiken dat de hele schoolgaande massa overtrekt en waarop niets dan ‘jeugd’ geschreven staat. In de strijd tegen radicalisering is het cruciaal om op school voldoende de raakpunten te benadrukken van al die leeftijdsgenoten die hoogdringend op regelmatige basis met elkaar moeten gaan communiceren. Alleen daarna kan de eenheidsverpakking werkelijk scheuren met het mooiste en ook veiligste geluid dat bestaat: dat van opengaande gelijke kansen.

Ruth Lasters

Wil jij meer weten over Ruth Lasters of heb je een vraag aan haar of wil je gewoon informatie opvragen? Neem dan contact met haar op via info@ruthlasters.be of ga door naar contact.

Ga naar contact