Menu

‘Taal is niet gratis in dit land’: over de gevolgen van ondoorgrondelijk overheidsjargon

ADMINISTRATIEVE EXAMENKOORTS  (De Standaard, november 2018)

Ruth Lasters ergert zich aan het taalkundige mistgordijn van overheidssites. Voor vele burgers heeft deze ontoegankelijkheid immers financiële gevolgen.

 

Veel Vlamingen betalen een hypothecaire lening af. Een auto op krediet kopen wordt ook als vrij normaal beschouwd. Maar dat sommige burgers maandelijks schulden afbetalen opgelopen door ondoorgrondelijk bureaucratisch jargon, daar wordt doorgaans over gezwegen. Taal lijkt gratis maar niets is minder waar in dit land.

Ik kan het weten want toen ik vorig jaar scheidde, leek het wel alsof ik een staatsexamen ‘Nederlands’ moest afleggen. Wie scheidt komt net als alle andere opnieuwbeginners in aanraking met tal van procedures die zoveel betekenen als ware taalvaardigheidsproeven.

Ik weet niet hoe goed de meeste zelfvernieuwers scoren op het examenluik ‘Luistervaardigheid’ (bijvoorbeeld naar het ministerie telefoneren en mailadressen zoals hyp.bew.antwerpen2@minfin.fed.be moeten noteren). Ik kan me alleen over mijn eigen resultaten uitspreken en opgelucht zijn dat ik, zij het ternauwernood, slaagde. Gelukkig maar, want wie zakt voor het staatsexamen ‘Nederlands’ krijgt geen rapport met slechte cijfers maar ziet de euro’s van zijn bankrekening vliegen. Vooral een zwakke score op de praktijkproef ‘Huren’ – want daar komt opnieuw beginnen toch vaak op aan – is in dat opzicht gevaarlijk.

 

Een van de examinatoren van mijn overheidstaalproef was de man van het kadaster met wie ik telefoneerde om te weten te komen of een huurcontract dat ik wilde verbreken wegens schimmel en ongedierte wel geregistreerd stond. Het was geen sinecure om het contactadres dat hij dicteerde op te schrijven, noch om meteen wijs te geraken uit de betalingsprocedure waarover hij mompelde. Mijn eigen fout natuurlijk, sorry, wie begint er nu ook zo afgepeigerd aan een examen! Ik had eerst voldoende moeten uitrusten na de afmattende leesoefening die eraan voorafgegaan was: het doorwroeten van tal van overheidssites om te weten te komen dat men überhaupt bij het kadaster moet zijn om zulke informatie te verkrijgen.

En dat terwijl het echte leesexamen nog moest komen: het doornemen van het tweede huurcontract dat ik afsloot in de veronderstelling dit te kunnen opzeggen (mits een billijke betaling van drie maanden huur) zodra ik zelf opnieuw een appartement zou kunnen kopen. Dat zo’n contract van korte duur onder geen beding verbreekbaar is, stond er niet expliciet in vermeld – een burger wordt blijkbaar geacht de huurwet volledig te kennen. Enigszins in paniek richtte ik mij tot de Huurdersbond, dé miraculeuze hulplijn waarnaar verwezen wordt op de overheidssite. De wachtrij bij de Huurdersbond was echter zo immens lang, dat ik niet de enige was die ontredderd huiswaarts keerde. Als het mij onmogelijk was geweest een uitmuntende advocaat onder de arm te nemen die uiteindelijk een fout vond in het contract, betaalde ik nu nog steeds de twaalf resterende maanden huurgeld af.

 

‘Homans duwt huurders verder de armoede in,’ luidde de kop van een stuk dat onlangs verscheen in deze krant. De Vlaamse Minister van Wonen en Armoedebestrijding, die de huurwaarborg wil optrekken van twee naar drie maanden kreeg kritiek van politieke tegenstanders. Ook ik juich Homans’ aangekondigde verhoging van de huurwaarborg geenszins toe, maar er zijn naar mijn mening veel urgentere zaken als het om armoedebestrijding gaat. Een huurwaarborg kan desnoods worden geleend en terugbetaald. Maar aan de terugbetaling van kosten veroorzaakt door ontoegankelijke overheidstaal is in sommige situaties geen beginnen aan.

 

Burgers die net als ik het geluk hebben om een woning af te betalen krijgen een fiscaal voordeel in dit land, wat ronduit prachtig is. Maar huurders, die eveneens veel belastingen betalen, krijgen als hulplijn slechts een totaal onderbemande Huurdersbond, waarvoor de subsidies absoluut niet meegroeien met de exponentieel toenemende vraag naar administratieve bijstand. Hetzelfde geldt voor de Wetswinkel, die andere helpende hand voor het ontwarren van de overheidstaalknoop, die veel meer werkingsmiddelen zou moeten krijgen.

 

Als bepaalde procedures toch alleen kunnen verlopen in complex jargon zou er tenminste een schoolvak ‘Overheid’ moeten worden opgenomen in het curriculum van secundaire scholen. Ook zou men veel hoger moeten inzetten op algehele taalvaardigheid, eveneens in technische- en beroepsrichtingen. En waarom geen door de overheid betaalde app die burgers tindergewijs met elkaar in contact brengt om bijvoorbeeld paperassenhulp uit te wisselen tegen praktische klusjes waar velen, zoals ondergetekende, te onhandig voor zijn?

 

Nu moet u mij excuseren want ik moet zo dadelijk nog het allerlaatste leesexamen afleggen, met name het oprichten van een vereniging van mede-eigenaars (VME) om de blokpolis te kunnen regelen van het gebouw waar ik woon. Zelfs bij het Ministerie van Financiën heerst er enige onduidelijkheid over waar het ondernemingsnummer voor zo’n nieuwe VME moet worden aangevraagd, zo bleek net tijdens mijn laatste proef ‘Spreekvaardigheid’. Men zou er uit moedeloosheid haast een betaalde syndicus voor aanstellen, wat mogelijk de bedoeling is van ons obscure taalapparaat. Voor heel wat beroepenvelden zoals syndici, advocaten, boekhouders en notarissen is het bureaucratische mistgordijn immers een lucratieve zaak.

Maar de staat zelf wordt ten slotte slachtoffer van haar eigen ondoorgrondelijkheid. Te warrige bureaucratische fraseringen zijn een beetje zoals jetons in een lunaparkkast die bedrieglijk vastgekleefd zitten zodat ze er niet kunnen worden uitgeduwd door de spelers. Uiteindelijk gaat men gefrustreerd bonken tegen zo’n jetonkast en lijdt ze schade.

 

 

Wie? Ruth Lasters is schrijfster en geeft les in een Antwerpse middelbare school.

Wat?

ADMINISTRATIEVE EXAMENKOORTS

 

Ruth Lasters ergert zich aan het taalkundige mistgordijn van overheidssites. Voor vele burgers heeft deze ontoegankelijkheid immers financiële gevolgen.

 

 

Veel Vlamingen betalen een hypothecaire lening af. Een auto op krediet kopen wordt ook als vrij normaal beschouwd. Maar dat sommige burgers maandelijks schulden afbetalen opgelopen door ondoorgrondelijk bureaucratisch jargon, daar wordt doorgaans over gezwegen. Taal lijkt gratis maar niets is minder waar in dit land.

Ik kan het weten want toen ik vorig jaar scheidde, leek het wel alsof ik een staatsexamen ‘Nederlands’ moest afleggen. Wie scheidt komt net als alle andere opnieuwbeginners in aanraking met tal van procedures die zoveel betekenen als ware taalvaardigheidsproeven.

Ik weet niet hoe goed de meeste zelfvernieuwers scoren op het examenluik ‘Luistervaardigheid’ (bijvoorbeeld naar het ministerie telefoneren en mailadressen zoals hyp.bew.antwerpen2@minfin.fed.be moeten noteren). Ik kan me alleen over mijn eigen resultaten uitspreken en opgelucht zijn dat ik, zij het ternauwernood, slaagde. Gelukkig maar, want wie zakt voor het staatsexamen ‘Nederlands’ krijgt geen rapport met slechte cijfers maar ziet de euro’s van zijn bankrekening vliegen. Vooral een zwakke score op de praktijkproef ‘Huren’ – want daar komt opnieuw beginnen toch vaak op aan – is in dat opzicht gevaarlijk.

 

Een van de examinatoren van mijn overheidstaalproef was de man van het kadaster met wie ik telefoneerde om te weten te komen of een huurcontract dat ik wilde verbreken wegens schimmel en ongedierte wel geregistreerd stond. Het was geen sinecure om het contactadres dat hij dicteerde op te schrijven, noch om meteen wijs te geraken uit de betalingsprocedure waarover hij mompelde. Mijn eigen fout natuurlijk, sorry, wie begint er nu ook zo afgepeigerd aan een examen! Ik had eerst voldoende moeten uitrusten na de afmattende leesoefening die eraan voorafgegaan was: het doorwroeten van tal van overheidssites om te weten te komen dat men überhaupt bij het kadaster moet zijn om zulke informatie te verkrijgen.

En dat terwijl het echte leesexamen nog moest komen: het doornemen van het tweede huurcontract dat ik afsloot in de veronderstelling dit te kunnen opzeggen (mits een billijke betaling van drie maanden huur) zodra ik zelf opnieuw een appartement zou kunnen kopen. Dat zo’n contract van korte duur onder geen beding verbreekbaar is, stond er niet expliciet in vermeld – een burger wordt blijkbaar geacht de huurwet volledig te kennen. Enigszins in paniek richtte ik mij tot de Huurdersbond, dé miraculeuze hulplijn waarnaar verwezen wordt op de overheidssite. De wachtrij bij de Huurdersbond was echter zo immens lang, dat ik niet de enige was die ontredderd huiswaarts keerde. Als het mij onmogelijk was geweest een uitmuntende advocaat onder de arm te nemen die uiteindelijk een fout vond in het contract, betaalde ik nu nog steeds de twaalf resterende maanden huurgeld af.

 

‘Homans duwt huurders verder de armoede in,’ luidde de kop van een stuk dat onlangs verscheen in deze krant. De Vlaamse Minister van Wonen en Armoedebestrijding, die de huurwaarborg wil optrekken van twee naar drie maanden kreeg kritiek van politieke tegenstanders. Ook ik juich Homans’ aangekondigde verhoging van de huurwaarborg geenszins toe, maar er zijn naar mijn mening veel urgentere zaken als het om armoedebestrijding gaat. Een huurwaarborg kan desnoods worden geleend en terugbetaald. Maar aan de terugbetaling van kosten veroorzaakt door ontoegankelijke overheidstaal is in sommige situaties geen beginnen aan.

 

Burgers die net als ik het geluk hebben om een woning af te betalen krijgen een fiscaal voordeel in dit land, wat ronduit prachtig is. Maar huurders, die eveneens veel belastingen betalen, krijgen als hulplijn slechts een totaal onderbemande Huurdersbond, waarvoor de subsidies absoluut niet meegroeien met de exponentieel toenemende vraag naar administratieve bijstand. Hetzelfde geldt voor de Wetswinkel, die andere helpende hand voor het ontwarren van de overheidstaalknoop, die veel meer werkingsmiddelen zou moeten krijgen.

 

Als bepaalde procedures toch alleen kunnen verlopen in complex jargon zou er tenminste een schoolvak ‘Overheid’ moeten worden opgenomen in het curriculum van secundaire scholen. Ook zou men veel hoger moeten inzetten op algehele taalvaardigheid, eveneens in technische- en beroepsrichtingen. En waarom geen door de overheid betaalde app die burgers tindergewijs met elkaar in contact brengt om bijvoorbeeld paperassenhulp uit te wisselen tegen praktische klusjes waar velen, zoals ondergetekende, te onhandig voor zijn?

 

Nu moet u mij excuseren want ik moet zo dadelijk nog het allerlaatste leesexamen afleggen, met name het oprichten van een vereniging van mede-eigenaars (VME) om de blokpolis te kunnen regelen van het gebouw waar ik woon. Zelfs bij het Ministerie van Financiën heerst er enige onduidelijkheid over waar het ondernemingsnummer voor zo’n nieuwe VME moet worden aangevraagd, zo bleek net tijdens mijn laatste proef ‘Spreekvaardigheid’. Men zou er uit moedeloosheid haast een betaalde syndicus voor aanstellen, wat mogelijk de bedoeling is van ons obscure taalapparaat. Voor heel wat beroepenvelden zoals syndici, advocaten, boekhouders en notarissen is het bureaucratische mistgordijn immers een lucratieve zaak.

Maar de staat zelf wordt ten slotte slachtoffer van haar eigen ondoorgrondelijkheid. Te warrige bureaucratische fraseringen zijn een beetje zoals jetons in een lunaparkkast die bedrieglijk vastgekleefd zitten zodat ze er niet kunnen worden uitgeduwd door de spelers. Uiteindelijk gaat men gefrustreerd bonken tegen zo’n jetonkast en lijdt ze schade.

 

 

Wie? Ruth Lasters is schrijfster en geeft les in een Antwerpse middelbare school.

Wat? Ondoorgrondelijke overheidsprocedures zijn vaak niet alleen ontmoedigend, er hangt ook een prijskaartje aan vast. Taal is niet gratis in dit land.